Verhalen

Op deze pagina vindt u een aantal verhalen geschreven door Eexters of die gaan over Eext en haar inwoners. Klik op de titel van het verhaal om deze te lezen.  

Veel leesplezier!

 

Verhalen
verhaal(len) zichtbaar
100 jarig bestaan Ned. Herv. gemeente Eext - 2016
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Nieuwsblad van het Noorden, d.d. 6-9-1941
Gisteravond werd in de Ned. Herv. Kerk te Eext het honderd-jarig bestaan der Kerk herdacht. Kerkvoogden hadden de Kerk van binnen en
buiten laten opknappen en de kerkeraad had voor deze gelegenheid voor versiering van binnen gezorgd.
De vlag wapperde van de kerktoren en om zeven uur was de kerk geheel gevuld. Als sprekers voor deze avond traden op de consulent-ds.
Wierenga te Anloo en ds. Cannegieter te Eenrum, die tot voor kort predikant te Eext was. Beiden belichtten het kerkelijk leven in het dorp.
De eerste sprak van een kern van gezond kerkelijk leven die hier aanwezig is en hoopt dat die kern verder mocht uitgroeien tot ze alle leden
omvatte. Hij roemde de prettige werkkring die hij hier had gehad.
Ds. Wieringa belichtte het kerkelijk gebeuren in de afgelopen 100 jaren. Nadat in 1836 Annerveen zich van de moederkerk te Anloo had
afgescheiden, scheidde Eext zich in 1841 daarvan af.Het was een hele stap voor de 75 gezinnen die Eext toen nog maar telde. Zij tekenden
voor een bedrag van ƒ. 6.000,-- aan vrijwillige bijdragen. Er ontbrak nog ƒ. 3.300,-- die door obligatieschuld gedicht werd. Om een geschikte
plaats voor de kerk en pastorie te krijgen moesten de oude school verwijderd en heel wat zware eiken gekapt worden. Alle ander werk werd
door hand- en spandiensten verricht. Tot de stichting kon worden overgegaan nadat het bestuur de koninklijke goedkeuring had verkregen.
En zo werd op 5 september 1841 de kerk ingewijd door ds. Van Loenen te Anloo.
Aan het slot van de avond bood ds. Germs zijn gelukwensch aan en sprak de hoop uit dat de kerk ook verder een Zegen moge zijn voor
Eext, Anderen en Eexterzandvoort, nu de bevolking zich zoo zeer heeft uitgebreid. Het dorp telt bijna zonder uitzondering ingezetenen, die
tot de N.H. Gemeente behooren. Ze omvat dus vrijwel allen.
De heer Huisman bood namens de Hervormde Gemeente te Annerveen de beste wenschen aan en een prachtige bloemenhulde, die in de
kerk een ereplaats had. Hierna vermeldde ds. Wieringa nog dat kerkvoogden en kerkeraad het plan hadden een uurwerk in den toren te
plaatsen, waarvoor een intekenlijst zal worden aangeboden en hij twijfelde niet of het plan zou gemakkelijk slagen. Ongeveer half negen
werd de bijeenkomst gesloten.
Vermelden we nog dat wijlen de heer H. Meijering en H.G. Meijering-Homan in 1910 t.g.v. hun 50-jarig echtvereniging aan de kerk een orgel
schonk en dat de beide avondmaalsbekers eveneens geschonken zijn.
Lijst van predikanten tot 1990:
J.G. Borgesius Hemmes: 1842-1857
W. Hellema: 1859 – 1870
J.J. keizer: 1872 – 1875
H.A. Benthem Reddingius: 1876 – 1879
P. Zuidema: 1880 – 1883
E. de Haan: 1884 – 1885
K.J. Mulder: 1885 – 1888
D.T. Uden Masman: 1888 – 1890
J.H. Heckman: 1892 – 1894
H. Huizinga: 1895 – 1899
D. Edens: 1900 – 1912
K. v.d. kamp: 1912 – 1915
J.H. de Vries: 1916 – 1917
J. Broekema: 1931 – 1934
J.E. Cannegieter: 1936 – 1938
J.L. Brinkerink: 1940 – 1941
W.C. Lichthelm: 1942 – 1946
H. de Nie: 1946 – 1948
D.J. van Wezep: 1949 – 1957
S. de Jong: 1957 – 1962
Ds. Wilhelm Coenraad Ligthelm
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Leefde van 1914 - 2002
Willem Coenraad Ligthelm was predikant in Eext van 1 februari 1942 tot en met 20 januari
1946. Het kerkelijk leven in Eext kende een opleving in de oorlogsjaren. Het kerkbezoek
nam toe van 30 naar gemiddeld 115 personen, zo lezen we in de notulen van de
kerkenraad van 1943. Ook werden de jeugddiensten, catechesaties, bijbelkringen en
gemeenteavonden goed bezocht.
Arrestatie ds. W.C. Ligthelm
Op 7 maart 1942 werd ds. Ligthelm gevangen genomen, omdat hij zich vanaf de kansel
had uitgesproken tegen de vervolging en deportatie van de Joodse bevolking. Gelukkig
keerde hij na een verblijf in de gevangenis in Amersfoort op 13 oktober 1942 ongedeerd
terug. Na zijn terugkeer moest hij zich echter in verband met een doorlopende
vermoeidheid steeds in acht nemen. Op 1 januari 1943 hervatte hij zijn werkzaamheden.
In de zomer van 1943 werd er door de Nederlandse Hervormde Kerk in Amsterdam een
verzoek gedaan om kinderen uit Amsterdam op het platteland voor ongeveer 6 weken een
‘onbezorgde’ tijd te geven. Na een oproep van ds. Ligthelm werden er in de zomer van 1943 16 kinderen opgenomen in gezinnen
in Eext. Ook bij de organisatie van de opvang van kinderen tijdens de Hongerwinter had ds. Ligthelm een belangrijke rol. Na een
kerkdienst waarin hij vertelde over de grote honger in het westen en een beroep deed op de Eexter bevolking werden 76 kinderen
uit Den Haag opgevangen in gezinnen in Eext.
Bankje ds. W.C. Ligthelm
Op 5 mei 1995 zijn door de Oranjevereniging evacués en ‘kinderen’, die hier in de Hongerwinter zijn opgevangen, uitgenodigd om
samen met de families waar zij destijds verbleven en de Eexter bevolking te vieren dat Nederland 50 jaar geleden was bevrijd. Als
dank werd door de evacués en ‘kinderen’ een bankje aangeboden aan de bevolking van Eext. Dit bankje werd eerst geplaatst bij
de Kluis en later verplaatst naar de huidige plek aan de Kerkstraat. Het bankje is opgedragen aan ds. Ligthelm, die in de
oorlogsjaren veel heeft gedaan voor de opvang van de kinderen en evacués. Helaas kon ds. Ligthelm vanwege zijn zwakke
gezondheid die dag niet aanwezig zijn. Op 5 mei 2005 werden zij opnieuw door de Oranjevereniging uitgenodigd voor het 60-jarig
bevrijdingsfeest. Inmiddels waren de mensen 10 jaar ouder en de groep aanwezigen wat minder groot. Het bankje is inmiddels
opgeknapt en ziet er weer als nieuw uit. Een uitstekende rustplek om te genieten van al het moois dat ons dorp te bieden heeft. In
Café Restaurant Homan vindt u meer informatie over de opvang van evacués en kinderen tijdens de Hongerwinter.
familie Tonnis en Gezina Knoop
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Tonnis Knoop is geboren in Wildervank op 8 september 1888. Hij kwam uit een gezin met zes kinderen, drie jongens en drie
meisjes. Gezina Wilhelmina (Gé) Eekhof  is ook in Wildervank geboren op 3 maart 1889. Zij kwam uit een gezin met veertien
kinderen, acht jongens en zes meisjes. Tonnis en Gé kwamen dus uit grote gezinnen, maar dat was vroeger zo. Zij trouwden op
18 juni 1913 in Wildervank en gingen wonen in Zuidbroek. In Zuidbroek werden de eerste kinderen geboren: Geert geb. op 10-12-
1913; Johannes Jacobus (Jans) geb. op 21-01-1915; Aaltje (Alie) geb. op 18-01-1916; Antje geb. op 14-02-1917 en Annechiena
(Giny) geb. 18-07-1918.
Tonnis Knoop werkte voor zijn trouwen bij het dagblad De Noord-Ooster, waar trouwens verschillende ”Knopen” hebben gewerkt.
Hij werkte bij een notaris in Zuidbroek. Vanuit Zuidbroek solliciteerde hij bij notaris Lammers in Gieten. Daar werd hij aangenomen
en dagelijks fietste hij ’s morgens van Zuidbroek naar Gieten en ’s avonds weer terug naar Zuidbroek.Ergens in 1918 is het gezin
verhuisd van Zuidbroek naar Eext. Daar hebben ze op verschillende plekken gewoond:
1918 - 1920:  E 204 nu Schaapstreek 13, ingewoond bij Derk en Jan Homan.
1920 - 1921:  E 10 nu ‘t Witzand 18: op 10 april 1921 is de veldwachterswoning verkocht aan  R. Lanjouw (timmerman).
1922 - 1929:   E 117 nu Kloosterstraat 5, deze woning huurden ze van de melkfabriek.
1929 - 1950: E 96 nu Stationsstraat 7.
Toen ze hier uit gingen kwamen Job en Marie Hilbrands er in te wonen met een postagentschap.
1950 – overlijden: E 41d nu Stationsstraat 20 te Eext.
Deze woning hebben ze zelf laten bouwen. Op deze plek stond de schuur van de boerderij van Homan. Deze was ingezakt en
zodoende kwam er een huisstee vrij. Na zijn overlijden is in 1969 hun zoon Jans met zijn vrouw Roelie Reinders er gaan
wonen.In Eext werden nog een aantal kinderen geboren:
Gezina Imka (Siny) geb. 04-01-1920; Trijntje geb. 21-06-1922; Wilhelmina Gezina Henderika (Miny) geb. 22-11-1924 en Frederik
Hendrik (Fré) geb. 24-04-1930.
In 11 jaar dus acht kinderen. Dat leverde hen al snel de bijnaam ”Knopenfabriek” op. Stationsstraat 7 was  een vrijstaand huis met
fruitbomen. As je fruitbomen hebt, heb je ook spreeuwen en merels. Iedereen in huis, ook de visite, moest meehelpen die vogels
te verjagen. Tonnis had een bel in de boom hangen en een lang stuk touw er aan tot in de wc. Iedereen die naar de wc moest
werd verzocht aan het touw te trekken. De bel maakte dan een hels lawaai en de vogels waren weer even weg.Tonnis bekleedde
in Eext verschillende functies. Zo was hij vanaf de oprichting bestuurslid van de plaatselijke afdeling van de Bond voor
Staatspensionering, bestuurslid van de ijsclub Eext en administrerend kerkvoogd van de N.H. Kerk in Eext.Ook was hij secretaris-
penningmeester van de plaatselijke V.V.V. en vanuit die hoedanigheid mede-organisator van het traditionele concours hippique op
tweede Pinksterdag. Zijn grootste passie was vissen. In hart en nieren was hij een vissersman. Vaak op zondag gingen we een
kijkje nemen bij ”Tonnis visplas”.  Braamsplas was natuurlijk niet van hem, maar als kind dacht je dat. Hij had daar een roeiboot
liggen. Achteraf denken we wel eens hoe de mensen dat vonden, die aan de kant zaten te vissen, dat er iemand met een bootje
op de plas bezig was.
In 1960 werd de nieuwe kleuterschool aan de Kloosterstraat in gebruik genomen. Het was een aardige geste van het
gemeentebestuur om voor de inwoners van Eext een prijsvraag uit te schrijven een passende naam te bedenken voor de school.
Een jury heeft uit ruim dertig inzendingen de naam ’t Hummelnust gekozen, inzender was Tonnis Knoop. Na het onthullen van het
Fluiten met een stukje natuur - 2021
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Jop Boelens
Een kind in een dorp als Eext groeide vroeger op met de natuur om zich heen. Het leerde hoe ermee moest worden
omgegaan en hoe het te gebruiken.
Op de lagere school besteedde meester Van Dam er regelmatig aandacht aan. Hij maakte met de leerlingen klassikaal
wandelingen in de natuur en vertelde er boeiend over. In het najaar liet hij ons herfstbakjes maken. Meestal werd daar een
schoenendoos voor gebruikt. Gedeeltelijk opgevuld met  zand en een laagje mos er bovenop. Een vliegenzwam met zijn rode
kleur en witte stippen fleurde het bakje al aardig op. Daarbij gevoegd een takje met dennenappeltjes. Vervolgens glimmend
gepoetste eikels en kastanjes erbij en een takje met veelkleurig blad van de Amerikaanse eik. En je was klaar met jouw stukje
natuurschoon. Daarbij zag je al doende de schoonheid ervan.
Je leerde dat een aantal wilde besjes en vruchten eetbaar waren: zoals bosbessen, waar je blauwe handen en tanden van kreeg,
(o.a. bij het Zwanemeer te vinden). Vogelkersen, lekkere dikke zwarte (toen bij het hunebed aan het Haltie), tamme kastanjes (er
eerst op de punt een diep kruis insnijden) knapperig poffen op de kachel en ontdoen van schil en dun bitter huidje (toen te vinden
in het  Staatsbos aan de laan langs boswachterij Brinksma). De sleedoorn had behalve scherpe stekels ook eetbare blauwe
besjes, die zo bitter smaakten, dat we ze bekkentrekkers noemden.
Normale bramen waren overal te vinden,  maar potbrummels (extra grote zoete bramen)  zag  je zelden (groeiden o.a. bij het
Hondelveld). Hazelnoten en beukennootjes (met bolle buikjes) waren ruimschoots op diverse plekken aanwezig. Ook maakten we
fluitjes. Dat was een leuke bezigheid. In mei (als de sapstroom goed op gang was gekomen ) werd er een geschikt takje van de
lijsterbesboom gesneden om er een fluitje van te maken. Maar ook van fluitenkruid of van hondtong (paardenbloem) kon je een
simpel fluitje maken. Tijdens het bekloppen van het takje van lijsterbeshout met het heft van een mes werd vaak een liedje
gezongen.
Volgens oma Klinkhamer bestond het vroeger uit de volgende tekst:
“Sippe sappe siepe
Wanneer bist doe riepe ?
In meie, in meie
Als de vogels eier leggen
Dan zal ik ze raopen
Dan zal ik ze kraoken
Sippe sappe siep
Wanneer bist doe riep ?”
De bast van het fluitje in wording werd vochtig gehouden door het in de mond te benatten.
Anders scheurde de bast tijdens het bekloppen.
H. Brinksma 38 jaar boswachter
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Krantenknipsel uit 1960 ontvangen van Margreet van Terwisga (kleindochter van Brinksma)
Voor veertig jaar heide: nu boswachterij Gieten.
Een foto (
zie fotoarchief Kluis
) waarop hoge bomen staan en daartussen een man. Een doodgewone opname, maar toch ook een
bijzonder beeld. Want deze foto is niets meer en niets minder dan het leven van een mens, een man die bijna zijn gehele leven
alle zorg aan bomen heeft besteed. Die man is de bouwkundig hoofdambtenaar Hendrik Brinksma te Eexterhalte en die bomen
maken deel uit van de houtvesterij Assen-Oost, ofwel Staatsbosbeheer, boswachterij Gieten. Achtendertig jaren heeft de heer
Brinksma hier doorgebracht. Nu hij de leeftijd heeft bereikt waarop men aan de zorgen van de ouderdomsvoorziening wordt
toevertrouwd, gaat hij zijn bos verlaten.
Een heel leven in het groen geleefd:
Binnen enkele maanden hoopt hij een mooie woning in Apeldoorn te kunnen betrekken. Een ander zal zijn werk overnemen.
Bomen, die door de ”oude” boswachter (zoals dit beroep vroeger heette)  werden geplant, zullen door een ”jonge” weer worden
geveld.
Heide:
Een grote man en kleine bomen, want bijna veertig jaar geleden, om precies te zijn in 1922 was er geen boswachterij in Gieten,
alleen maar heide, niets dan heide. Van verschillende boeren werden heidevelden aangekocht.Twee- tot driehonderd werklozen
verdienden hun brood in het ontginnen van deze woeste grond. In deze tijd kwam de heer Brinksma nadat hij een aantal jaren in
algemene dienst had doorgebracht, dat wil zeggen, van de ene plaats naar de andere trok.Drie jaar later, in 1925, stapte hij in het
huwelijksbootje met Alberdina Hoogeveen en vestigde zich op de plaats, waar hij achtendertig jaar zou doorbrengen. Het werk
onder leiding van houtvester Jansen vorderde gestaag. Waar de dopheide verdween werden boompjes geplant. Aanvankelijk werd
gewerkt met één houtsoort, de grove den. Later bleek dat dit niet de juiste boom was. Hij groeide maar slecht op de Drentse
grond. De Japanse lariks, de fijnspar en de douglas deden het beter.
Boomplantdag:
Het bos groeide eindelijk uit tot wat het nu is, ongeveer elfhonderd hectare groot. Het was in deze boswachterij, dat de eerste
boomplantdag werd ingesteld. Dat was in 1923. Schoolkinderen uit Gieten en Eext hebben hier dertien jaar lang eiken geplant,
twee- tot driehonderd per jaar. In deze bossen leven nog ongeveer zestig reeën, welke aantal op peil wordt gehouden door de
jagersvereniging tot afschot te geven. Behalve deze dieren ziet men er op mooie dagen veel mensen, die hier genieten van de
rustige, fraaie natuur. Een stukje vrij Nederland, waar geen ”verboden toegang” de bezoeker toeschreeuwt.
Van klein tot groot:
Met verholen trots ziet de heer Brinksma hoe de bezoekers elkaar op de machtige eiken, zijn eiken, wijzen. Eiken, die zijn geplant
onder boswachterschap van de bosbouwkundig hoofdambtenaar te Eexterhalte. Eén van de weinigen die zolang op één en
dezelfde plaats hebben doorgebracht. En straks in Apeldoorn zal de heer Brinksma ongetwijfeld zijn bezoekers trots de foto met de
hoge bomen en een kleine man laten zien en zeggen: ”Dat was mijn bos, gegroeid uit bomen, die eenmaal kleiner waren dan ik…”
Harbert Udes
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Willem Nijhof Evert zn.
Harbert was een bijzondere jongen. Op de Ulo in Gieten hield hij het niet lang vol. Zijn passie was de landbouw (Groningen
landbouw- hogeschool) (-diploma)) en de veeartsenijkunde (Utrecht). Maar voordat hij de studie begon wilde hij eerst wat van de
wereld zien en met een vriend door Europa trekken, liftend. De eerste tocht (3000 km) ging door Duitsland en Scandinavië (2
e
lift
tocht: Frankrijk en Spanje).
Na dit reis- intermezzo bleef hij in Berlijn, waar hij een lyrisch stuk over schrijft. Hij schrijft zich daar in bij de Freie Universität om
veearts te worden (het was hier goedkoper dan in Utrecht en zijn ouders konden hem niet meer ondersteunen). Om in zijn
onderhoud te voorzien had hij allerlei bijbaantjes en verdiende DM 1,10 per uur. In die tijd (1959) was er nog een intensieve
hoogleraar- en studenten-uitwisseling tussen de Humbold (oost)- en Freie Universität (west). Je kon nog gemakkelijk de grens
over en Oost-Berlijn was lekker goedkoop.
In 1961 liepen de politieke spanningen op. De vluchtelingen-stromen van Oost naar West namen onheilspellend toe, desastreus
voor de economie in de DDR en dat moest stoppen. Harbert had een vriendin in Oost-Berlijn, die besloot ook te vertrekken. Hij
hielp haar verhuizen nog voor de muur er was.
De Muur werd 13 augustus 1961 gebouwd, ook onder het mom van mensenhandel door het Westen. Hij beschreef minutieus hoe
het prikkeldraad werd vervangen door beton en hoe de oorlogsspanningen opliepen. De meest wonderlijke constructies werden
bedacht om mensen die wilden vluchten te helpen. De controles bij de grensovergangen waren streng. Bij de passages droeg
Harbert altijd kapotte schoenen en bij het uitkleden deed hij die het eerste uit, de rest werd dan wat minder streng bekeken.
Hij had een vriend, Nothelfer, in Oost-Berlijn, die bedrijfseconomie studeerde aan de Humbold universiteit. Met nog een paar
mensen smeedden ze een plan om op grote schaal tijdens de Leipziger Messe mensen van Leipzig naar het Westen te
smokkelen. Harbert verzamelde een wachtlijst van 30 potentiële vluchtelingen in Oost-Berlijn. Tijdens een bezoekje aan één van
de families werd hij op de terugreis door de Staatsveiligheids-dienst ingerekend (4 maart 1962). In de trein van Leipzig naar het
westen met vluchtelingen en hun begeleiders overkwam de andere leden van de groep Aktion Leipzig hetzelfde.
In de kelder van de veiligheidsdienst werd hij ondervraagd en later op de avond vervoerd naar het beruchte Alexanderplatz. Daar
zaten er meer opgesloten. Men schreeuwde elkaar moed in: Alles ist vergänglich, auch lebenslänglich. Dagenlang werden ze aan
een streng verhoor onderworpen, toegebruld, maar niet geslagen. Harbert deed alsof hij niets met de Leipziger groep te maken
had, maar de Stasi was volledig op de hoogte van de plannen en na een proces van 5 dagen leidde dat tot een vonnis van 34
pagina’s voor de hele groep.
De aanklacht: het overhalen van Oost-Duitse staatsburgers hun land te verlaten (misdaad) en het vervalsen van diploma’s en
paspoorten.
Veroordeling: Harbert Udes, Nederlander, zoon van een ´Groszbauer´ hereboer(!) werd tot 6 1/2, zijn vriend Nothelfer tot 8 1/2 jaar
veroordeeld.
Herinneringen aan een begraafplaats - 2014
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Wim Koiter
Het dorp Eexterzandvoort bestond uit ongeveer 50 woningen, allen verspreid. Er was toen maar één straat door het dorp. Vanaf Eext liep
deze straat door de Naweg tot aan J. Gortmaker, nu Heiakkers 1, dan rechtsaf buigend naar Eexterzandvoort en dan naar Eexterveen.
De rest was allemaal zandweg. Veel woningen stonden een eindje van de weg in de landerijen. De bewoners waren bijna allemaal boer of
keuterboer. Doordat de boerderij meestal van ouder op kind ging, bleef men zo lang mogelijk in het dorp wonen. Daardoor kenden de
mensen elkaar bijna allemaal en dat was in die tijd heel belangrijk. Bij ziekte en overlijden had men elkaar nodig, burenhulp “naoberschap”.
Toch was er in die tijd al een bakker J. Rozenveld, een kruidenier B. de Jonge later B. Kruit en een dorpssmid G. Bakker. In 1930 kwam de
o.l. school. Er waren in die tijd gemiddeld 50 tot 60 leerlingen.
Wanneer er in het dorp iemand was overleden kwam de leedaanzegger langs. Eerst was het D. Jonkers sr., later J. Hadderingh, beide uit
Eext, gekleed in zwart pak en hoge hoed. Jonkers kwam op de fiets en moest huis aan huis, door het hele dorp het “leedaanzeggen”. Ik
herinner me nog heel goed dat een tante van mijn moeder was overleden. Dat was in juni 1942. Ik was toen elf jaar. Ik zag Jonkers
aankomen en ging snel naar binnen zodat ik alles goed kon horen. Ik weet het nog precies. Jonkers stapte binnen, nam zijn hoed af en zei:
“Heden is overleden Grietje Sijbring op de leeftijd van 67 jaar, echtgenote van Gerrit Vedder. De begrafenis zal plaatsvinden op vrijdag 4 juli.
Men wordt om twaalf uur aan het sterfhuis verwacht. Het wordt jullie als familie bekend gemaakt en jullie worden hedenavond om zeven uur
verwacht voor de inkistlegging.”Wanneer je buur of vriend was dan werd er gezegd:  “Het wordt jullie als buren of als vrienden bekend
gemaakt.” Dat betekende dat je zowel voor als na de begrafenis naar het sterfhuis moest. Het begrafenisvolk was bijna allemaal in het zwart
gekleed. De mannen in zwart pak met hoge hoed of zwarte pet. De vrouwen droegen zwarte kousen en schoenen, zwarte jurk, mantel en
hoed. Op de deel (schuur) stonden meestal caféstoelen aan lange smalle tafels, waarop wit papier lag. Dat dit gebeuren vaak op de deel
plaatsvond kwam vanwege ruimtegebrek.
Er werd eerst koffie gedronken met daarbij een plak koek of krentenbrood. Dan was het woord aan de dominee. Inmiddels was J. Gortmaker
aangekomen met de lijkwagen waar een zwart paard voor gespannen was. Er lag een zwart kleed op het paard zo ook op de kist. Als deze
ingeladen was stelden de volgers zich op. Eerst de naaste familie, dan verdere familie, buren en vrienden. Als laatsten kwamen de
dorpelingen, waarvan van elk gezin wel iemand meeging. Daarvan liepen eerst de mannen, dan de vrouwen allen twee aan twee. Dan
begon de lange tocht lopende naar het kerkhof in Eext. Een plaspauze was er voor de vrouwen bij Js. Oosting, nu Heiakkers nr. 2. De
mannen konden een eindje verderop plassen in het steegie (Haverlandssteegje). Na de plechtigheid werd de terugweg aanvaard. Door over
de Vesselweg te gaan werd de terugweg flink ingekort. Bij het sterfhuis weer aangekomen gingen de genodigden naar binnen. De
kraantjespotten gevuld met koffie stonden op tafel en er werd brood of een eierkoek (begrafeniskoek) rondgedeeld. Na nog even napraten
en een handdruk ging iedereen weer huiswaarts.
Het Zwanemeerbos: een oerplek - 2014
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Albert Koerts
Het Zwanemeerbos ligt tussen Eext en Gieten. Het wordt doorsneden door de Oude Groningerweg, de verbindingsweg tussen Coevorden
en Groningen. Door de aanwezigheid van grafheuvels (tumuli) langs de weg is het vermoeden gerechtvaardigd dat de weg is aangelegd ver
vóór het begin van de jaartelling. Het is waarschijnlijk dat de weg al is gebruikt in de Romeinse tijd voor het verplaatsen van de legertroepen.
Zeker is dat de troepen van "Bommen Berend" (Christoph Bernhard van Galen, bisschop van Munster)  in 1672 over de weg richting
Groningen trokken. In het voorbijgaan brandschatten zij "De Oldehof", wat toen boerderij de Oldehof was, aan het 't Witzand in Eext. De
eigenaar was één van de rijkste boeren in de wijde omgeving. Hij bezat en verpachtte wel 12 erven. Voor de mannen van "Bommen Berend"
dus de moeite waard te proberen geld los te peuteren met een dreigement "De Oldehof" in brand te steken. De eigenaar liet zich niet
intimideren en zijn hoeve ging in vlammen op. Dat was geen ramp omdat de lemen muren makkelijk weer opgetrokken konden worden en de
eigenaar altijd wel weer aan inboedel kon komen.De reden, dat de verbindingsweg tussen Coevorden en Groningen langs het Zwanemeer
loopt is vermoedelijk gelegen in het feit dat er een bron met goed drinkwater aanwezig was. Het was een rijke bron: uit overlevering van de
"eekschillers", die daar de eikenbast afschilden voor het leerlooien, weten we dat zelfs in de droogste zomers de bron niet droog kwam te
staan.Het bos zelf is er waarschijnlijk al van vóór het begin van de jaartelling.
Ondanks de zeer goede leemhoudende grond is deze plek voor de landbouw niet zo geschikt omdat er veel veldkeien liggen. Keien
betekenen voor de ploegen gevaarlijke obstakels. Vooral voor de primitieve ploegen, zoals die bijvoorbeeld in de Middeleeuwen in gebruik
waren, was het breukrisico groot. Reparatie van ploegen is nog steeds een flinke klus. Maar in de tijd dat de smid, die in het repareren van
ploegen was gespecialiseerd helemaal in Groningen woonde betekende een kapotte ploeg ook, dat het werk een poos stil lag.   Het
Zwanemeerbos is eigenlijk sinds mensenheugenis bijna onaangetast gebleven. Bijna, want in de negentiende eeuw hebben verschillende
eigenaren in delen van het bos sloten, ritsen (scheidingssleuven) en wallen aangelegd om de grenzen van hun eigendommen aan te
geven.Wolven en beren op de wegHet bos heeft altijd een woest en ruig karakter gehad dat tot de verbeelding van mensen sprak. In het
roerige jaar 1672 bijvoorbeeld werden de mensen niet alleen opgeschrikt door de troepen van "Bommen Berend", maar ook door de mare
dat er nog wolven aanwezig zouden zijn in het Zwanemeerbos. En inderdaad vond men na enig speuren een nest jonge wolven, dat men
onmiddellijk uitgroef. Waarschijnlijk het einde van de wolvenstand in de verre omtrek. Veel later, in 1883, vond men een hol waarvan men de
herkomst niet kon plaatsen. Allerlei mensen gingen er kijken en men dacht zelfs vreemde pootafdrukken te zien die wel van een beer of tijger
zouden moeten zijn. De berichten haalden zelfs via "onze correspondent te Eext" de Asser Courant. Ieder in de omgeving was dus gespitst
op het gevaar van beren op de weg. Met regelmaat zag iemand iets verdachts, niet dichtbij genoeg om het precies te kunnen zien maar toch
duidelijk genoeg om bang van te worden.
Op zekere dag werd zelfs te Anloo de alarmklok geluid omdat de tolgaarder van Gieterzandvoort, komend uit het café te Anloo, midden op
de dag in het dorp een beer had gezien. Achteraf bleek dat de tolgaarder iets teveel had gedronken en een loslopend schaap had gezien,
maar toch… men was op zijn hoede.Een poos later werd in Eext alarm geslagen. Het echtpaar Speulman was des zondags per koets op de
terugweg van het "gasten" in Anloo naar huis, het molenhuis aan de Hondelweg in Eext. Op de Kerkweg had Speulman zowaar een bruine
beer gesignaleerd. In draf arriveerden ze in Eext en meldden de beer bij de volmacht van de Boermarke, Wilms. Wilms was vanwege zijn
beroep, stelmaker, altijd bereikbaar en was daarom ook volmacht. Hij liet op de boerhoorn blazen en in een mum van tijd was er veel
bewapend volk op de been op de Middenweg. Er was voldoende kruit. Vóór 't op pad gaan om de beer neer te leggen werden afspraken
gemaakt over rugdekking. Eén probleem was er wel: het schieten van de beer zou neerkomen op schending van de zondagsrust. Dominee
Petrus Zuidema was wel bij de volksverzameling geweest maar had zich al terug getrokken. Het was immers zondag. Zijn zegen hadden de
jagers dus niet.Er moest echter wel direct worden gehandeld. Speulman had tenslotte een beer gezien op de kerkweg bij een walletje tussen
de bomen en het beest was méér dan manshoog, een ondier dus. Eén van de Boervolmachten was tevens diaken en sprak het reddende
woord: de dominee was een slechte herder en had zijn kudde in de steek gelaten. Hier was sprake van een noodsituatie en gold de plicht tot
zondagsrust niet. De groep begaf zich dus op weg naar de door Speulman aangegeven plek. Daar konden zij een Drentse ram bevrijden die
met zijn horens tussen de "straampels" van twee bomen klem was geraakt. De hilariteit kende geen grenzen. Speulman werd niet zozeer
bedankt voor zijn oplettendheid maar uitgelachen, omdat hij een nog tamelijk kleine ram had aangezien voor een manshoge beer
Hoeschonen - 2021
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Seichien Vedder-Oosting
In de vieftiger jaoren zaten Kram en de vrouw op café ”De Rustende Jaoger”. Mien oldste zus Froukje hef daor jaoren waarkt. In
een café is aaltied waark. In ’t veurjaor begunden zie al vroo te schonen. Het heeile hoes mus een beurt hebben en alles mus van
stee, van boven tot under.
Oous Froukje begunde op de zolder, daor kun vrouw Kram neeit op kommen, want zie was neeit zo smeui meer. Gelukkig stun
der neeit veul op en heuifde ze neeit veul verslepen van de eeine naor de aandere hoouk. Eerst muzzen de kokosmatten naor
beneden sleept worden, die kwamen op de heeg te liggen. De mattenklopper weur oet ’t stookhok haold en mor kloppen. Dan
weer hèn boven en met de kopstubber (ragebol) alles oetstubben, daornao met de stubber (handveger) de balken aofvegen en
de zolder anvegen.
Dan mus Froukje weer naor beneden en meuik een emmer vol heeit waoter. Daor kwaam sodao en greuin zeeip in, een grote lap
met, en dan de zolder weer op.  De haonebalken en de aandere balken muzzen allemaol aofwaskerd worden, zo ok de oplangen
(balken). Veur de glassies (raompies)  mus weer een emmer met schoon waoter haold worden, daor kwaam dan een beste
scheut spiritus in.
Dan mus zie de heeile zolder nog opveilen (dweilen). De matten weurden oprold en van de heeg haold en dat weer hèn de zolder
braachd en dan alles weer op stee zetten. Dat was een minne dag veur heur, de heeile dag klimmen en slepen. Tevreden kek
Froukje de zolder nog is over en dèenkt bij zuch zòlf, daor bin ik gelukkig weer een jaor aof.
Tweei daogen laoter komp Froukje weer bij vrouw Kram. Die prees heur met de woorden: ”Hest de zolder gooud schoon maokt
Froukje, ik heb hum nog even aofveegd, het was alleein wat slietsel van de veil (dweil)”.
***
Huisschilder Frits de Jonge - 2021
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Albert Koerts
Frits was nog maar een paar jaar getrouwd toen de oorlog uitbrak. In het begin van de oorlog merkte men maar weinig van de
Duitse bezetting. Dit begon met de verduistering. Van de Duitsers mocht geen licht worden gezien als het donker was. Stel, dat de
Engelse vliegtuigen overvlogen, dan hadden die een mooi schietschijf. Ook auto’s moesten dus ’s nachts verduisterd zijn.
Frits moest alle bomen aan de Provincialeweg van Gieten naar Rolde op 1 meter hoogte met witkalk van een band voorzien van
ongeveer 30 cm. breed, bedoeld als baken. De regen spoelde de kalk echter weer van de bomen en zo moest hij vele malen met
de kalkpot over de Provincialeweg.
Voor verduistering van de ramen gebruikte met goedgekeurd zwart papier dat hij te koop had. Aan het eind van de oorlog was er
nergens aan zeep te komen. Bijna alles was op de bon.In Eext waren enkele boeren die zelf koolzaad verbouwden. Als dit met de
dorsmachine werd gedorst, werd iedere kilo nauwkeurig geregistreerd. Als het met de dorsstok werd gedaan, was men deels zelf
baas. Het was namelijk strafbaar als niet iedere kilo werd opgegeven voor distributie. Ondanks dat zaten sommige boeren nog
ruim in het ’zaaizaad’. Op deze manier kwam Frits aan koolzaadolie, waar hij zachte of groene zeep van maakte.
Dit gebeurde als volgt: 1 liter koolzaadolie en 1/10 liter kaliloog vermengen met ongeveer 4 liter water. Al roerende aan de kook
brengen en men had ruim 4 kilo groene zeep. Koolzaad werd met een koolzaadmolentje vermalen tot olie. Er waren maar weinige
mensen die zo’n molentje bezaten, want alleen al het bezit ervan was strafbaar. Er waren mensen die voor een derde deel of de
helft het koolzaad wilden vermalen tot olie. Dit was echter zeer zwaar werk. Er werd wel gezegd: “Half zweet, half olie”. 1 spint
koolzaad (ongeveer 5 liter) leverde 1 liter olie op.Frits ging meerdere keren op de fiets naar Groningen naar de firma Buist, een
groothandel in verfwaren, om kaliloog te halen in ruil voor spek en eieren.
Later maakte Frits een soort zeep van kalkstikstof wat sommige boeren nog in kleine hoeveelheden bezaten. 1/10 liter kalkstikstof
en 1 liter koolzaadolie met veel water aan de kook gebracht leverde ongeveer 10 liter drab op, wat een soort zeep voor moest
stellen.
IJsvereniging - 2019
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
IJsvereniging Eext herdenkt zaterdag vijftigjarig bestaan
De datum is niet precies bekend maar de ijsvereniging Eext bestaat in 1991 vijftig jaar. De komende zaterdag is geprikt als
jubileumdag. De hele dag zal Eext in het teken staan van de ijsvereniging. ’s Morgens is Radio Drenthe op bezoek, ’s middags
is er een receptie en ’s avonds wordt de feestavond gehouden.
Eigenlijk bestaat er in Eext al langer dan vijftig jaar een soort ijsvereniging. Voor 1941 had de V.V.V. de touwtjes in handen.
Toen in het tweede oorlogsjaar bleek dat de V.V.V. geen geld meer had om nog wedstrijden te organiseren, werd de
ijsvereniging opgericht. Nu vijftig jaar later bestaat het bestuur uit zeven mannen. Voorzitter R. Wilms, secretaris W. Witting,
penningmeester Hs. Hadderingh en verder H. Mennega, B. Haaijer, R. Vedder Hzn. en B. Nijhof.
Te diep
Sinds 1961 beheert de ijsvereniging de ijsbaan aan de Kampstraat. Daarvoor lag er een ijsbaan aan de Schaopwas bij
Eexterhalte. Die was te klein en ook veel te diep. Op sommige plekken wel zes meter. En dan zak je ook nog een meter in het
veen. De baan aan de Kampstraat voldoet net aan de maten. Een vierhonderd meter baan is precies aan te leggen. Voor
kortebaan-wedstrijden is een minimale baan van honderdveertig meter uit te zetten. Een iets grotere baan zou wenselijk zijn,
vindt het bestuur.
Inbrengboeldag
De belangrijkste taak van het bestuur is volgens voorzitter Wilms de mensen het naar de zin te maken. Maar er gebeurt
natuurlijk meer. Voor de buitenwacht is de ijsvereniging en het bestuur alleen maar interessant als het vriest. Maar het bestuur
komt iedere maand bij elkaar. De voorbereidingen voor de inbrengboeldag (sedert 1980) traditioneel op oudejaarsdag, loopt
eigenlijk het hele jaar door. Er worden nu alweer spullen verzameld voor de volgende keer.
En verder is er altijd wat te doen. Secretaris Witting: ”We doen alles in eigen beheer.” Zoals bijvoorbeeld de kantine. Enkele
jaren geleden opgehaald uit Bareveld waar de kantine dienst deed als patatwagen.
Inkomsten
De kantine, de donateurs en leden (vierhonderd) en de inbrengboeldag vormen de bronnen van inkomsten. Toch moeten de
eindjes aan elkaar worden geknoopt. In tegenstelling tot bijvoorbeeld veel andere ijsverenigingen moet in Eext huur worden
betaald voor het ijsbaanterrein. Verder moet een belangrijk bedrag worden afgedragen aan de landelijke bond KNSB. Daarbij
komen nog eens de verzekeringen. Ook moet er af en toe worden geïnvesteerd. Een paar jaar geleden werden twee dure
veegmachines gekocht (samen vijftienduizend gulden).
Dure investering
Ze zijn nog niet gebruikt wegens gebrek aan ijs. ”Een dure investering. Achteraf had je het geld beter kunnen opbergen. Maar
weet dat maar eens vooraf,” aldus voorzitter Wilms. Echt plannen is er niet bij voor de ijsvereniging. De vorige winter kon er
anderhalve dag geschaatst worden aan de Kampstraat. Gisteren is de baan voor het eerst weer open gegaan. Het bestuur krijgt
het dan weer drukker. Als de baan open is zijn er meestal twee bestuursleden aanwezig. En dat doen ze graag in Eext. Net als
Kermisje in Eext - 2016
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door Jan Hilbrands, Assen
Op de zomerkermis in augustus in Eext stonden in mijn jonge jaren (1955-1965)  altijd dezelfde kermis exploitanten. Groothoff uit
Woltersum was er met zijn zweefmolen, Hingstman uit Rolde met zijn schiettent en Brongers uit Groningen met oliebollen en vis.
Vaag kan ik me herinneren dat  op het tipje bij de schoenenwinkel van Bruining  een snoepkraam  (noga, spekjes en
zuurstengels) stond.  Doch mijn interesse ging voornamelijk uit naar de schiettent en zweefmolen.
De woon- en vrachtwagen van Groothoff stond altijd naast de tuin van Sien Kleef aan de Schaapstreek. Het gezin bestond uit
man, vrouw en drie dochters, het achterste gedeelte van de woonwagen was nog pakwagen. Daar stond het orgel en allerlei
beschilderde ornamenten in. De woonwagen van Brongers stond aan de Naweg naast bakker Kruit. Ze hadden in die paar dagen
dat zij daar stonden een goed contact met de buurt waar ze zo nodig ook stroom van kregen.
Eens was er tijdens een landbouwtentoonstelling een luchtschommel en bij Bruining op de brink een kindermolen. ’s Avonds was
er dansen, zowel in café Popken, later Jan Ratering als in café Kram, later Haaijer, nog weer later Jan Oosting. Het volk liep dan
over de kermis van het ene naar het andere café.
Ik was als kind vaak aanwezig bij de opbouw op het drietipje bij Geert en Femmechien Enting (kruising Hoofdstraat-
Schaapstreek)  en wist precies hoe de molen in elkaar zat. De middenas van de molen had hij onder de woonwagen en de rest
op een Amerikaanse legervoertuig. Hij ging met zijn voeten aftreden hoe hij de mast moest neer leggen, de woonwagen kwam
even dwars over het drietipje te staan en dan werd de mast er onder weg gekrikt. Als de mast op de grond lag lierde hij die met de
vrachtwagen ongeveer 70 cm. naar boven en plaatste er een brede balk onder. Dan koppelde hij de lier los, de mast bleef in die
stand staan en dan werd er een tandrad om de mast geplaatst. Daarna werd de lier weer bevestigd en werd de mast met behulp
van de vrachtwagen omhoog getrokken. De opbouw deed hij vanaf de cabine van de truck en alles wat hij nodig had werd schuin
tegen de cabine geplaatst zodat hij het zo kon pakken. Al met al was het een heel werk. Als de molen klaar was zag het er netjes
uit, zelfs de bel die bij het begin en het einde van de rit klingelde, blonk altijd. Ik verbaasde mij tevens weer hoe rustig Groothoff
bij de op- en afbouw was en  precies wist hoe te handelen. De zweefmolen had een doorsnee van elf meter en een hoogte van
zeven en een halve meter en was één van de grootste molens van Nederland.
Hij moest natuurlijk wel uitkijken hoe het zat met uitzwaai voor wat betreft de bomen e.d. En ook moest boderijder Jan Enting er
wel langs kunnen om met zijn vrachtauto bij zijn huis te kunnen komen. Ik heb een keer meegemaakt dat een ambtenaar van de
gemeente vond dat de molen iets te dicht bij een boom stond waarop Groothoff antwoordde dat het zo goed was. De ambtenaar
was het er niet mee eens en zijn voorstel was dat een boer met een trekker de molen wel een stukje kon verslepen, waarop
Groothoff antwoordde of hij daarop stond en zei: ”Dan breek ik hem af en kom hier nooit weer”.  Daarop liep de ambtenaar weg.
Voor de molen had hij krachtstroom nodig. In die tijd plaatste de EGD een speciale kast in elk dorp waar een kermis werd
gehouden. Tegen de tuin van Sien Kleef stond de kast waar Groothoff op aangesloten werd. De dikke kabel lag over de weg.  De
zweefmolen van Groothoff  stond wijd en zijd bekend als een prachtige goed verzorgde molen met een heel mooie wellerhaus
kermisorgel die goed gestemd prachtig muziek ten gehore bracht. Veel mensen uit Eext stonden dan ook langdurig te kijken en te
luisteren. Kermisorgels tref je nu haast niet meer op de kermis, ze zijn te duur en de jeugd heeft veel liever andere herrie.
Kinderen uit Holland te gast in Drenthe (13 febr. 1945)
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
(uit de krant)
Eext, een spoorweghalte in het Drentse landschap. Links een bos van Staatsbosbeheer, rechts uitgestrekte heidevelden met
ontginningen, een hunebed en een eikenlaantje. Voor de halte, die hier grootscheeps "station" wordt geheten,  staan lage
boerenwagens om de kinderen uit Holland af te halen. Het is nog héél vroeg in de ochtend, wanneer de trein uit Holland aankomt.
Een tachtigtal kinderen moeten hier uitstappen. Hun begeleiders, vrijwillige medewerkers van de Nederlandse Volksdienst, die dit
transport verzorgt, houden appel en sjouwen met de schamele bagage. De burgerij van Eext laat zich vertegenwoordigen door een
commissie van ontvangst, waarin de dominee, de directeur van de zuivelfabriek, de buurtboerenleider, de veldwachter en de
boswachter zitting hebben.
Tachtig bleekneusjes krijgen een plaatsje op het in de boerenwagens gespreide stro. De koffertjes worden opgeladen en dan zet
de stoet zich in beweging. Ze rijden door het eikenlaantje vlak langs het hunebed. Achter hen ligt de spoorlijn met het verlaten
stationnetje… "Het is maar tien minuten rijden", vertelt Albertus Buiter, die de paarden ment. Eext vormt met tien andere dorpjes
de gemeente Anloo. Het dorp telt achthonderd zielen, die vereend zijn in ongeveer twee honderd families. De meeste families
hebben reeds evacués en vluchtelingen in huis, maar toen dominee Lichthelm verhaalde van de honger in het westen en in
verband daarmee een beroep deed op de befaamde Drentse gastvrijheid, wilde de één niet bij de ander achterblijven. Het
bescheiden dorpje Eext bleek nog 76 kinderen uit Holland te kunnen opnemen.
En vandaag zijn zij aangekomen. Voor het koffiehuis van den heer Homan worden de paarden tegengehouden. Zij trokken een
lichte, een véél te lichte lading. De jeugd van Eext is uitgelopen en kijk nu toch eens naar zulk een contrast: bleke vermagerde
stadskinderen, naast uit de kluiten gewassen bengels met bolle koppen!
"Toch waren onze Weense kinderen er nog veel erger aan toe", vertelt ons één der pleegouders. "Wij kregen een meisje, dat
soldatenschoenen aan had en een papieren jurkje droeg. Zij woog 64 pond, maar na een jaar hadden wij haar gewicht meer dan
verdubbeld". Goed vooruitzicht voor de gasten, die zo juist zijn afgestapt.
In de feestzaal van Homan brandt de kachel en er staat een grote bus met warme melk te wachten. Op advies van een kinderarts
is de melk aangelengd: in Beilen, waar verleden week  kinderen zijn opgenomen leerde de ervaring dat kinderen uit het westen de
echte melk niet meer kunnen verdragen.
Alle pleegouders kregen een voedingsvoorschrift: Eerste week voorzichtig voeden, niet "zat" laten eten, vooral niet te veel vet,
zuinig met melk. Geef de kinderen voorlopig nog geen spek op het brood. De eerste dagen hoogstens twee borden pap en zeer
zuinig met stroop en suiker. De pleegouders in Eext hebben meewarig het hoofd geschud en nog dezelfde avond hoorden wij dat
die voedingsvoorschriften hun heel wat hoofdbrekens kosten. "Je kan toch zo'n jongen geen eerpels geven zonder vet te geven?"
klaagde de één en de ander kon het niet over haar hart verkrijgen om het pleegkind aan tafel kariger te bedelen dan haar eigen
kinderen. Wacht maar, over een poosje kunnen ze gewoon mee eten en dan verstaan zij het Drents als de beste.
Levensmiddelen voor onderduikers - 2020
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Geert Enting
In het Evertsbos aan de weg van Eexterhalte naar Rolde was een onderduikershol. Dit hol lag enige honderden meters verwijderd
van de villa “Heidehof”. Harm Mulder was winkelier en hij ventte zijn waren uit met paard en wagen. Was zijn rit naar Anderen,
dan ging de terugweg via de Provincialeweg. Hier ging hij bij boswachter Berend Kok en zijn vrouw Annechien aan. Dit was
tevens de geijkte gelegenheid de onderduikers van het hol te bedienen. Daar er steeds iemand op wacht stond kwam zijn komst
nooit onvoorbereid. onnen voor levensmiddelen voor onderduikers was wel eens een probleem; zij vielen buiten het normale
bonnencircuit. Doch de ondergrondse had hiervoor oplossingen. Regelmatig werden er overvallen gepleegd op
distributiekantoren om aan bonnen te komen. Ten tijde van de voorziening van levensmiddelen door Harm Mulder aan
onderduikers werd er op het distributiekantoor in Smilde een overval gepleegd. Vele bonkaarten werden hier buitgemaakt. Enkele
dagen nadien kreeg Harm Mulder bezoek van iemand in Duits uniform op een motor. Hij betrad de winkel en Harm werd onrustig.
Die onrust bleek ongegrond. De voor een Duitse militair aangezien persoon bleek “Rooie Chris” van het ondergronds verzet te
zijn. Hij had een voorraad bonkaarten bij zich die hij overhandigde, wetende dat Harm ze nodig had.
Met deze bonkaarten moest Harm Mulder naar het distributiekantoor in Annen. Het hoofd hield zich tevens bezig met
ondergronds werk. Aangekomen op het kantoor verzocht Harm de directeur te spreken hetgeen direct voor elkaar kwam. Alleen
met hem in de kamer konden de bonnen worden voorzien van de benodigde stempels. Elke winkelier had een eigen code.
Voorzien van deze code en stempels konden de bonnen worden ingeleverd bij de grossier, waarna de verlangde goederen
werden geleverd. Zodoende kon de winkelier o.a. onderduikers voorzien van levensmiddelen. Op dezelfde wijze zorgde Harm ook
voor levensmiddelen voor de onderduikers in het hol in het Evertsbos tussen Eext en Anloo. Hier kon hij niet met paard en wagen
verschijnen, dat viel te veel op. Daarom kwam er regelmatig iemand uit dit hol naar de winkel in Eext, steeds overdag. Een naam
werd er nooit genoemd. Steeds bediende men zich van een wachtwoord: “Ik kom voor Willem III. Heb je dit of dat voor mij.” De
bestelling werd klaargemaakt en zonder verdere vragen vertrok de persoon.
Was er iemand jarig, dat werd de opmerking gemaakt: “Och man, er is ook nog iemand jarig.” Veel om dit te vieren was niet
aanwezig. Toch schonken de mensen in het onderduikershol hier aandacht aan om de zinnen te verzetten. Harm had meestal wel
een fles wijn in huis die meegegeven werd. Door de onderduikers werd dit zeer gewaardeerd, het was voor hen een lichtpuntje in
de duistere belabberde dagen. De onderduikers in dit hol waren allen mensen uit het verzet. Op een kwade dag –gelukkig waren
niet allen in het hol – zag men Duitsers lopen in het bos. De paniek was groot. Zo snel als mogelijk was vluchtten, de
onderduikers elk een kant op die vrij leek. Op dat moment konden allen ontkomen.
Nu de Duitsers bekend waren met dit hol was het te gevaarlijk hiernaar terug te keren. Later zijn op deze plek 10 mensen uit de
provincie Groningen om het leven gebracht.
Meistaking Eext 1943- 2020
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Bert Staats
De boeren sloten zich aan bij de stakers en besloten geen melk meer naar de melkinrichtingen te brengen, daarom heet de April-
meistaking ook wel melkstaking. In Drenthe waren boeren in Zuidwolde op 30 april 1943 de eersten die van zich lieten horen door te
weigeren melk te leveren aan de fabriek. Andere plaatsen volgden. Het was een algemeen protest tegen de NSB. Melkbussen die NSB-
boeren langs de weg hadden staan werden in de sloot gegooid en in enkele plaatsen in Drenthe werden NSB-boerderijen in brand
gestoken.
De Duitse bezetter reageerde op deze stakingen met harde hand. De opperste politiechef in Nederland, de SS’er Rauter, kondigde het
politiebestand af. Daarbij konden verdachten, meteen, zonder vorm van proces, worden doodgeschoten. Van Groningen tot Limburg
werden stakers gearresteerd.
Daarbij vielen in totaal 200 doden, ongeveer 80 door executies en verder bij beschietingen op straat. Er werden 85 Drenten opgepakt.
Nadat in Annen zo’n 20 personen waren opgepakt besloten de Duitsers in Eext nog krachtiger in te grijpen. Op vrijdagmiddag
was hier
een algemene staking uitgebroken, die reeds dadelijk een reactie van Duitse zijde uitlokte in de vorm van een ultimatum aan de
directeur van de stakende Coöp. Zuivelfabriek “Eendracht”. Het personeel van de zuivelfabriek overwoog, zaterdagochtend weer aan
het werk te gaan, maar al gauw bleek, dat vrijwel geen enkele boer melk afleverde. De afkondiging van het standrecht vond te Eext
eerst zaterdagavond plaats, doch scheen niet veel indruk te maken. Zondagmorgen bleef ieder zoveel mogelijk thuis. De Ned.
Hervormde predikant trof in de kerk slechts een klein gehoor aan.
Tijdens de dienst arriveerden Duitse politiemannen in het dorp; zij brachten een paar mitrailleurs in stelling en namen de allure aan
alsof zij een zeer ernstige opstand moesten bedwingen. Het bleek, dat de Duitse autoriteiten heel verbolgen waren over het feit, dat de
voorafgaande avond het brugdek van een brug in de buurt van Eext was opgebroken, kennelijk om het passeren van melkwagens te
verhinderen. Stakende arbeiders en boeren waren er de vorige dag, na een opruiende rede van boer Lute Huizing, heengetrokken. Toen
de Duitsers de schuldigen niet konden vinden, richtten zij hun pressie zondagmorgen speciaal tegen de directie van de zuivelfabriek. Zij
arresteerden enige bij de coöperatie aangesloten boeren, te weten Jan Braams, geboren op 27 mei 1897, en Otto Kluiving, geboren op 4
maart 1893, en dreigden hen maandag neer te schieten, indien de melkleveranties niet tijdig werden hervat.
De volgende dag bleken de leden van de coöperatie te zwichten voor deze aandrang; zij zonden hun melk weer naar de fabriek, die de
gehele dag onder zware Duitse bewaking bleef. De gearresteerden werden die dag omstreeks 15.30 uur vrijgelaten. De Duitse politie
bleef echter nasporingen doen naar degenen, die zaterdag de brug tussen Eext en Eexterzandvoort hadden vernield. Ruim een week na
de staking werden negen personen gearresteerd en weggevoerd. Twee van hen (R. Kamping en Gez. Enting) zijn in een Duits
concentratiekamp overleden. L. Huizing kwam zo verzwakt uit de gevangenschap terug, dat hij kort daarop overleed. De andere
gearresteerden hebben enige maanden te Vught moeten doorbrengen, zonder daarvan ernstige gevolgen te ondervinden.
Mien legere schooultied - 2018
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Seichien Vedder-Oosting
Der waren dreei leerkrachten juffrouw Sterenborg, meester Van Dam en meester Niewold. Laoter kwaam meester De Vries der
bij, mor daor heb wij gien les van had. Meester Niewold was hoofdmeester, die woonde naost de schooul. Meester Van Dam an
de Hoofdstraot en juffrouw Sterenborg was vrijgezel en har bij Haarm Kroeske een kaomer. Zie leuipen aaltied over het
schooulplein hèn en weer met zien dreeien. Juffrouw Sterenborg kwaam aaltied op de fiets. Heur fiets stun aaltied in de gang met
een tassie an `t stuur.
Wij kwamen bij juffrouw Sterenborg in de klas, wij leerden daor schrieven en kregen pepierties waor juffrouw de letters al dun
opschreven har. Wij muzzen ze overteeiken. Zo dee ze ok met ciefers, een pepier met allemaol eeinen en tweeien en gao zo mor
deur, net zo laang dat wij het zòlf dooun kunden.
Nao tweei jaor bij juffrouw Sterenborg in de klas zeten te hebben gungen wij naor meester van Dam. Daor muzzen wij taofels
leren, dat was een heeil gedreun met zien allen 2x2= 4    3x2= 6 enz.
Aardrijkskunde was der ok al bij, `k zeei de kaort van Grunning nog veur mij.
Groningen, Hoogezand, Sappemeer Veendam, Wildervank enz.
Geschiedenis was ok zo wat met aal die jaortallen.
1492 – Columbus ontdekt Amerika,
1600 -  Slag bij Nieuwpoort,
1602 -  Oprichting der Oost Indische Compagnie.
Meester kun aaltied heeil mooi veurlezen, dat boouk van Dik Trom. Volgens mij dee hij wel is bij een bepaold persoon  een vinger
tegen de neus um die dan een aandere stem te geven. Meester Van Dam gung zummers ok met een groep zwemmen in t zwem
bad, Zwanemeer in Geeiten, `s mòrgens al um zeuven uur. Gimnastiek was zien grote passie. Aj neeit rechtop leuipen kreeg je in
het speulkwarteer een stok aachter de rug langs. Hie paste gooud op elk zien lichaom. Nao meester van Dam gungen wij naor
meester Niewold. Dat was het veurste lekaol an de straot. Aj wat groot waren kuj nog wel even naor de straot op kieken wel of der
langs gung met peerd en waogen.
Die meester har het drok want hie har de klassen 5, 6 en 7. As het sunterklaosfeest was dan speulden de meesters en juffers oet
de gemeeinte een toneelstuk bij Roel Popken op het toneel. Sunterklaos kwaam dan ok met zwaarte Piet. Vrijdags `s middags
was het zingen in `t gimnastieklekaol. Juffrouw Sterenborg of meester de Vries veur de groep en meester van Dam aachter de
piano en meester Niewold stun tussen de brug um het zaokie in de gaoten te houden. Dat breien leren dat was ok wat op
woensdagmiddag. Je kregen een bos katoenen gaoren wat meeistal al in de knup zat en dat mus je op een kluwen maoken.
Juffrouw Sterenborg zette de steken op en dee je het veur.
De handen haj al zweeiterig veurdat je an de gang waren dus het schoot neeit op. Dan een steek der op en dan der weer eein
aof. Dan weer naor de juffrouw toou, in de rieg staon en op je beurt waachten.
De jongens hadden die zòlfde woensdagmiddag knutseln of voetballen of misschien wat aans.
Muziekvereniging Togido - 2019
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
In 1928 vonden vier Eexter mannen Hendrik Schuiling, Hendrik Moek, Albert Lanjouw en Bareld Hollander het tijd dat er een
leuke vrijetijdsbesteding in de vorm van een fanfarekorps in Eext moest komen. Om dit te polsen werden aan diverse bomen in
het dorp briefjes opgehangen waarop stond waar belangstellenden zich konden melden. Er bleek voldoende animo en op 4
februari 1928 werd Togido een feit. Men had al 22 leden. De naam Togido, een samenvoeging van de beginletters van “Tot Ons
Genoegen Is Deze Opgericht”  heeft een tweeledige boodschap. “Ons Genoegen” wordt als eerste bedoeld de lol die de leden
beleven aan het muziek maken, maar “Ons Genoegen” slaat ook op het luisterplezier voor de toehoorders van concerten en
serenades. Gerepeteerd werd er in café Homan. Leider was dhr. Westrup. In februari van het jaar 1929 traden ze voor het eerst in
het openbaar op. Dat was op de ijsbaan bij een door de V.V.V. georganiseerde schaatswedstrijd. Het optreden werd geen succes
want de instrumenten bevroren tijdens het spelen. Vroeger speelde het fanfareorkest bij bijna elk evenement zoals optochten,
jubilea en andere festiviteiten.
Nadat eerst de V.V.V. Eext steun verleent tijdens de inrichting worden direct daarna renteloze aandelen uitgegeven. Het
notulenboek vermeldt, dat tijdens de vergadering van 15 maart 1929 ten huize van Js. Homan (nu café Homan) 6 renteloze
aandelen werden uitgeloot, terwijl de laatsten die de eer te beurt vielen op de vergadering van 27 maart 1931. Werd in 1928
begonnen met een contributie van 30 (gulden)cent per week, in 1932 werd besloten deze te verlagen naar 15 cent per week. De
verlaging werd doorgevoerd i.v.m. de slechte economische toestand van de jaren dertig. Dirigent Westrup, dicht bij het vuur als
gemeentesecretaris, zorgt er voor dat Togido in 1954 in aanmerking komt voor subsidie van de gemeente Anloo. Het sparen van
persil-emmertjes is jaren een gewild artikel ter aanvulling van het kasgeld, terwijl ook de opbrengst van het oud papier niet
vergeten mag worden.
De  laatste jaren van de oorlog mochten ze van de bezetter niet spelen, sterker nog, de instrumenten moesten worden ingeleverd.
Dat is niet gebeurd. Het complete instrumentarium werd verstopt bij de leden, van de zolder tot de kelder, wie maar een plekkie
had waar het spul veilig lag, bood het aan.
Doordat in 1945 door de oorlog het ledental tot 8 is gedaald vindt dirigent Westrup het wenselijk en noodzakelijk, dat, wil de
vereniging blijven bestaan, er voorlopig samen met de vereniging uit het naburige Annen, waarvan hij tevens dirigent is, dient te
worden gerepeteerd. Indien T.O.G.I.D.O. evenals Drenthina weer voldoende leden hebben, dan kan elk weer de eigen muzikale
gang gaan. Aldus de redenatie van Westrup.
Beide verenigingen zullen zelfstandig blijven en behouden hun bestuur. De samenwerking zal alleen op het muzikale vlak gelden.
Eerst wordt er gerepeteerd in Annen (hier worden bezwaren ingebracht i.v.m. de slechte toestand van de fietsbanden zo direct na
de oorlog). Later worden de repetities gehouden in Eext. Dat twee kapiteins op één schip geen rustige vaart garandeert blijkt wel
uit de gegevens, dat de jaren 1945 tot en met 1975 nogal eens woelig en soms stormachtig waren. Door tactisch optreden van
dhr. Westrup komt het roer telkens weer enige tijd recht. In 1975 komt aan de samenwerking een abrupt einde. Op muzikaal
gebied is er thans sprake van samenwerking met alle verenigingen uit de gemeente Aa en Hunze.
Naar de tandarts - 2014
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door wijlen Albert Mennega
Als je naar de dokter ging gebeurde dat in Gieten, in Eext was namelijk geen dokter.
90% ging naar dokter Meeuwes. Hij was ook tandarts want hij trok kiezen, meestal zonder verdoving.
Er waren ook wel particulieren die tanden en kiezen trokken. Het wilde wel eens gebeuren dat de kroon van de kies knapte en dan waren er
geen gespecialiseerde instrumenten als nu voorhanden. Men sprak toen van “geest van teer” waarmee men bedoelde dat de vloeistof die in
een gat in een kies werd gedaan werkte als een soort zenuwbehandeling. De kies rotte er evengoed om door. Het kon wel eens voorkomen
dat de kronen geheel wegrotten en alleen de wortels overbleven.
In de regel ging je op de fiets naar de dokter, een telefoon was er maar sporadisch, niet meer dan drie in het dorp. In noodgevallen gingen
de buren voor je naar de dokter.
In 1929 brak een Eexter zijn arm. Hij toog op de fiets met één arm aan het stuur naar dokter Meeuwes. Deze bleek er niet te zijn maar wel
zijn plaatsvervanger, dokter Vlas, die ook dierenarts was. De arm werd op een plank gelegd met de handpalm omhoog, wat de Eexter erg
veel pijn deed  waardoor hij wel drie keer flauw viel. De arm mocht toen rechtop. Voor de genezing hielp dat achter niet. Hier gold het
gezegde: Zachte heelmeesters, stinkende wonden, want toen Meeuwes ’s avonds de arm in de rechtopstand zag moest deze meteen weer
met de handpalm omhoog. Dit bleek wel even heel pijnlijk maar het leidde uiteindelijk wel tot genezing.
Dokter Meeuwes stond er om bekend een sociaal voelend mens te zijn. Er werd gezegd dat hij de rijken wel eens liet betalen om de arme
medemensen ook te kunnen helpen. Ook informeerde hij hoe je verzekerd was en wees je de weg die je moest bewandelen. Zo schoof hij
heen en weer met de begrippen ziekte en ongeval, net naar gelang het voor een patiënt voordeliger uitkwam. Een gebroken sleutelbeen
n.a.v. een ongeval kon dus op die manier wel eens in de ziektewet terechtkomen.
Naar de dokter ging je niet zomaar. Zo is er een geval bekend uit 1922-1923 van een man die van een hooizolder viel en er geen dokter bij
wilde. Hij is toen zes weken in het stro blijven liggen. Na die weken is hij uiteindelijk toch in het ziekenhuis terecht gekomen. Zijn been moest
weer gebroken worden maar hij is wel invalide gebleven.
Van de hooizolder vallen gebeurde vaker. Niet zo verwonderlijk in een dorp als Eext waar nogal wat boeren woonden. De zolder was vaak
van losse palen gemaakt, in het Drents noemde men dat “sleeiten”, waar het hooi en het koren op kwam te liggen. In het midden van die
zolder was een gat om het hooi door te kunnen laten. Daar viel men nogal eens doorheen.
Veel voorkomende ongelukken kwamen met het paard, bijvoorbeeld met een paard op de loop of een trap van het paard.
Incidenteel zijn ongevallen bekend van verdrinking (elders kwam dit wel vaker voor), kinderen spelend op de boerderij (een tetanusprik kon
je toen nog niet krijgen), de gierkelder en ongevallen tijdens het graven van een welput. Dit laatste had te maken met het feit dat een welput
vaak 8-12 meter diep was. Dit was nodig omdat op De Hondsrug het water ver onder de oppervlakte zat. De oudste putten werden aan de
kanten met flinten verstevigd. Later gebeurde dit met bakstenen en nog later met betonnen ringen. Onder het graven kon het dan gebeuren
dat de putgraver zo’n baksteen van de kant op zijn hoofd kreeg.
Voor de drinkwatervoorziening betrokken vier tot vijf huishoudens gezamenlijk water van zo’n welput.
Ons Dorp - 2016
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Willem Nijhof
Eext was een zeer levendig dorp met een enorme verscheidenheid aan middenstandszaken. Zonder de illusie te hebben volledig te zijn,
zitten de volgende neringdoenden op mijn netvlies.
5 winkels:
(galanterieën, kruideniers): Harm Mulder, Arent Okken, Jan Westerhof, Jan Oosting en Lucas Greving + 2 van buiten (Bruno Kruit
uit Zandvoort en Emmens uit Annen). Als dorpeling werd je geacht er voor te zorgen dat ze allemaal aan hun trekken kwamen. Iedereen
kwam minstens één keer per jaar bij Lucas Greving voor de Sinterklaastafel, waar je aan kon geven wat je leuk vond en hopen dat
Sinterklaas het daar mee eens was.
3  bakkers:
Jan Udding, Hendrik Kruit en Gerrit Lanjouw.
+ 3 van buiten (Jan Rozenveld uit Zandvoort, Hendrik Bruining uit Anloo en Dekens uit Annen). Het was lastig om bij iedereen klant te zijn,
want voor ons zat er nogal wat familie bij, maar toch kwam je bij iedereen en ze vonden het ook niet gek dat je niet alles bij hen kocht.
3 smederijen:
Willem en Bastiaan Kamps, Tinus Zinger en Willem Dijkstra. Dat was de afdeling voor de boeren. Wij haalden met Oudjaar
voor een kwartje carbid bij Tinus Zinger om dat met water vermengd, in grote melkbussen te laten ontploffen.
3 schilders:
Hendrik Hofsteenge, Roel Wessels en Frits de Jonge. Die werden niet zo vaak ingeschakeld (schilderen kon je zelf wel, dacht
je), maar als de houtrot toesloeg wilde je toch wel even door een vakman de schade laten repareren.
3 timmermannen:
Rudolf  Lanjouw en Gebr. Rudolf en Albert Lanjouw. Ons nieuwe huis werd door Harm Lanjouw uitgevoerd, want dat
hoorde zo ongeveer: gunnen aan een plaatsgenoot.
2 kledingzaken:
Harm Sanders (of eigenlijk van zijn vrouw Ma Leever) en Gerardus Leever, die ook kleermaker was. Als je hier
binnenkwam rook het altijd bijzonder naar garen en knopen en dat soort dingen.
1 stelmaker:
Jan Wilms. Daar kwam ik ontzettend vaak. Het rook er zo lekker naar vers gezaagd hout. De geweldige machines die een
eikenboom transformeerde naar  stevige eikenhouten planken. De oude Jan had ‘leuke’ gewoonten. Hij  pruimde nogal en dan had hij een
kadootje voor je. Een natte, verse pruim werd dan in je hand geduwd.
3  café’s:
Jans Homan, Derk Kram en Coops (de Hondsrug). Voor mij telde alleen Jans Homan. Dit huis was een geweldig speelterrein. Er
stonden drie piano’s. De dochters Annie en Jantje speelden elektrische gitaar en tante Sien kon heel hoog zingen. Jans was de gezellige
baas die bij de kachel in de gelagkamer zat. Bijna elk weekend was er dansen op het toneel en Sinterklaas kwam hoogst persoonlijk langs
begin December.
3 kappers:
Harm Sanders, Geert Wilbers (ventte ook met de melkkar) en de Rooie Kapper (Kloosterstraat 7). Ik liet me altijd glad knippen
bij Sanders voor 25 cent. Je kon dan weer maanden vooruit, totdat pap vond dat hij mij ook wel ’kaal’ kon scheren.
1 garage:
Willem Jansen. Behalve in auto’s deed hij ook in fietsen en was hij de taxichauffeur, die je bij ernstige dingen helemaal naar het
Ziekenhuis in de stad bracht. Ik ben een keer met blindedarmontsteking zo vervoerd.
1 rietdekker:
Rieks Oosting, onze buurman. Een man die alles kon. Als er niet gedekt kon worden slachtte hij de varkens en als die op
waren maakte hij het prachtigste speelgoed voor Jans en Jan, zoals een Vliegende Hollander.
1 schoenmaker:
Garmt Bruining:  daar rook het altijd zo lekker naar leer. Het duurde vaak erg lang als je nieuwe hakken onder je schoenen
kreeg. Garmt dacht: ”Och dat jong kan ’s zondags ook wel op klompen lopen.”
3 kleermakers:
Jacob Hilbolling, (bijnaam Job Snieder), Hendrik Brinks en Geert Wilbers. Job Hilbol heeft mij een keer een striepsiekoorn
broek aangemeten, zo’n drollenvanger met riempjes aan de onderkant
Oude voetbalveld
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Marchienus Jobing
Vanaf de oprichting van de Vereniging Voor Volksvermaken (V.V.V.) op 7 mei 1927, heeft deze een Concours Hippique voor
tuigpaarden georganiseerd. De eerste paar jaren ging dat op de straat tussen de beide cafés in het dorp. Al snel groeide dit
concours waarna het toenmalige bestuur op zoek ging naar een terrein op gras. Dit werd gevonden op het grasland achter de
boerderij van de familie Homan aan de Hoofdstraat. De voetbalvereniging maakte al gebruik van dit terrein. Doordeweeks liepen er
paarden en koeien te grazen en in het weekend werd er gesport.
Door het bloeien van de voetbalvereniging en het groeien van het concours werden er door de jaren heen steeds meer eisen
gesteld aan het terrein. Ook de gymnastiekvereniging ADO gebruikte toen al vaak het terrein. Totdat de V.V.V. in 1943 besloot het
terrein onder handen te nemen en er een sportveld van te maken mits er overeenstemming met de heer Homan kon worden
bereikt. De Heidemij (cultuur maatschappij) werd alvast opdracht gegeven om een plan van aanpak te maken.
Nadat er overleg was geweest met de familie Homan, het V.V.V. bestuur, de volmachten van de Boermarke en de
voetbalvereniging werd in 1944 toch besloten een geheel nieuw sportterrein aan te leggen op gronden van de Boermarke. De
leden van de Boermarke moesten dit voorstel wel ondersteunen. Men was van mening dat de sport in Eext bloeide en dat de
aanleg van een nieuw sportveld moest gebeuren.
Nadat de leden van de Boermarke het voorstel goedkeurden werd besloten dat de V.V.V. het terrein zal aanleggen en vervolgens
het zal huren van de Boermarke. De V.V.V. had goede jaren gehad met het concours en kon een groot deel van de kosten betalen.
Ondertussen is de Heidemij begonnen met het maken van een nieuw plan, een terrein dat geschikt moest zijn voor voetbal,
gymnastiek, handbal en paardensport.
Inmiddels is het najaar 1945 en de kosten waren 25% hoger geworden dan waarop gerekend was. Tweeduizend gulden was toen
een aanzienlijk bedrag, waardoor de besturen begonnen te twijfelen. Een mogelijkheid zou zijn om aan de gemeente geld te
vragen. Echter daar werd vanaf gezien omdat men bang was dat de gemeente dan inspraak zou willen hebben in de plannen.
Om het plan van aanpak toch rond te krijgen werd op een vergadering in maart 1946 voorgesteld dat ieder lid van de V.V.V. twee
dagen arbeid beschikbaar zou stellen. Bijna iedereen was lid en van de overheid kon geen geld verwacht worden na de oorlog. De
vergaderingen volgden elkaar snel op en na veertien dagen werd definitief besloten tot aanleg van het bedoelde sportveld.
Afgesproken werd: de V.V.V. wordt huurder voor vijfenzeventig gulden per jaar van de grond voor onbepaalde tijd met recht van
eerste koop en mag het onderverhuren voor andere sporten. De bomen op de ‘tip’ voor het terrein blijven eigendom van de
Boermarke maar tijdens evenementen mogen er fietsen op geplaatst worden. Het terrein mag  ingericht worden met wat nodig is
voor de verschillende sporten en er mag een gebouwtje geplaatst worden ten behoeve van de voetbalvereniging. De Boermarke
stelt nog 2000-2500 gulden beschikbaar voor de rente die de Boerenleenbank op dat moment ook vraagt. Ook zal de Boermarke
overeenstemming maken met de huidige pachters voor het ontbinden van de mondelinge pacht. Als dit allemaal geregeld is, kan
de aanleg beginnen in de zomer van 1946.  Veel materialen zoals buizen en palen van beton werden geleverd door de Gebr.
Lanjouw terwijl het kleedgebouwtje door R. Lanjouw Rzn. werd gebouwd. De Heidemij had de directie maar het mag gezegd
worden dat het een hele klus was voor het toenmalige bestuur. Een voordeel van die tijd was natuurlijk de weinige regelgeving van
allerlei overheidsinstanties. Na goed overleg met elkaar moesten de nota’s op tijd worden betaald en dat was het.
Tijdens de Concours Hippique in 1948 werd het terrein officieel in gebruik genomen met een groot concours waar duizenden
mensen bij aanwezig waren. In de pauze was er een prachtige voetbalwedstrijd van Eext 1. Ook werd de familie Homan in het
zonnetje gezet omdat hun grasland jarenlang was gebruikt. Eext kon trots zijn op het nieuwe sportcomplex. Bijna nergens waren
zulke mooie velden als bij ons in Eext. Menig sportvereniging was jaloers. Vooral het voetbalterrein was een voorbeeld voor de
omgeving.
Oudhoofd Doornbusch
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Geboren 17-1-1922, overleden 15-4-2005
”Vroeger deden kinderen de pet voor me af
”
Halverwege dit jaar nam ”meester” Doornbusch afscheid van het onderwijs. Doornbusch heeft meer dan 40 jaren als onderwijzer
gewerkt. Hij is geboren in het Groningse Harkstede.
Van jongs af aan had hij het voornemen om onderwijzer te worden. ”Toen ik op de lagere school zat wist ik het: ik wilde
onderwijzer worden. En die wens is uitgekomen”, vertelt Doornbusch nu meer dan een halve eeuw later. De loopbaan van de heer
Doornbusch startte als volontair. Over die allereerste ervaring zegt hij: ”Dat was in Harkstede. Ik heb er een jaar voor noppes voor
de klas gestaan. Na een jaar had ik dat wel gezien. Het was in feite niets anders dan het corrigeren van een lesje.” In 1941
slaagde de heer Doornbusch voor de acte van hoofdonderwijzer.
In datzelfde jaar ging hij werken op het distributiekantoor. Hij heeft later gewerkt als onderwijsgevende in o.a. Siddeburen, Kolham
en Schoonebeek.Het gezin Doornbusch, vader, moeder en 2 kinderen, vestigde zich in 1958 naast de school in Eext waar
Doornbusch was aangenomen als hoofd van de lagere school. Naast de school, zoals zeker vroeger een goed hoofd betaamde.
Hij heeft het huis verkocht aan het huidig hoofd. Toch heeft hij het nooit als onprettig ervaren om naast de school te wonen.
”Integendeel”, zegt hij ”Naast de school wonen is zelfs reusachtig. Als er ’s avonds nog licht brandde in de school deed ik het uit.
En als de w.c. ’s nachts maar door bleef spoelen zorgde ik er voor dat het niet meer gebeurde. Na schooltijd worden enkele
ruimtes namelijk door een paar verenigingen gebruikt en dan kan per ongeluk zoiets gebeuren”.
Net als de tegenwoordige hoofdmeester van de Prins Willem Alexanderschool heeft Doornbusch bewust voor het openbaar
onderwijs gekozen in plaats van het bijzonder onderwijs. Hij zegt dat de openbare school een school is voor iedereen. ”In
Schoonebeek”, zo vertelt hij, ”stuurde de overwegend katholieke bevolking zijn kinderen naar een openbare lagere school. In Eext
sturen de in meerderheid vrijzinnige ouders de kinderen naar een openbare lagere school. Nou is hier natuurlijk ook geen
christelijke school, maar de behoefte eraan is niet groot”, aldus Doornbusch.
Praten met een man die vrijwel zijn hele leven in het klaslokaal heeft doorgebracht betekent natuurlijk ook praten over
veranderingen en vernieuwingen. Typerend waarschijnlijk voor het karakter van de noordeling is dat ook Doornbusch zichzelf niet
beschouwt als een voorloper op het gebied van de onderwijsvernieuwingen. Hij zegt ”Nee, een extreme vernieuwer ben ik nooit
geweest. Ik heb me wel altijd aangepast aan de vernieuwingen. Ik hield er bijvoorbeeld van om de kinderen lange verhalen te
vertellen, maar toen de t.v. zijn intrede deed spraken we dikwijls over t.v.-programma’s”.
Verdere veranderingen?
”Ja, de afstand onderwijzer-kind is kleiner geworden. Als ik vroeger met iemand aan de kant van de weg stond te praten dan
deden de kinderen de pet voor me af en zeiden ”Dag meester”, ook al stonden er tien mensen om je heen. Tegenwoordig kunnen
de kinderen ook geen pet voor je afzetten want die zijn er niet meer. Gelukkig maar”.
Winter 1983
Radio en televisie vroeger- 2020
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Martha Mennega-Stenveld
Zoals er nu in ieder huishouding een televisie staat, zo was het vroeger niet. Onze voorouders luisterden naar de radio, met name
naar de familie Doorsnee, de Bonte Dinsdagavondtrein of naar Snip en Snap. In de oorlog moest iedereen zijn radio inleveren.
Jan Mennega wonende op Stationsstraat 54 met zijn vrouw Maaike heeft dat niet gedaan en werd ermee gepakt. Zijn radio werd
in beslag genomen en Jan kwam in het hok bij veldwachter Joling (Annen). Zijn vrouw Maaike moest toen voor het eten zorgen.
Je zag haar dan op de fiets met een pannetje eten in een tas naar Annen gaan. Gelukkig heeft hij niet lang gezeten. Toen mijn
man Albert dit hoorde heeft hij zijn radio verstopt in een bijenkast zodat hij stiekem naar radio Oranje kon luisteren. Na de oorlog
kwam de radio weer op batterij. Artiesten in die tijd waren Willy Derby, Lou Bandy, Bob Scholte  met versjes als ’Daar bij die
molen, Twee ogen zo blauw, Scheiden doet leiden en Hallo Bandoeng’. Zaterdag ’s avonds werd er naar de Rono geluisterd.
Favoriete programma’s waren o.a. ’Bij de scheerbaos, Mans Tierelier met zien dweellocht deur Drenthe en Schuppen is troef’.
Enkele mensen in Eext hadden eind jaren vijftig al een televisie.
Dat kon je precies zien aan de antennes die aan de schoorsteen of aan de voor- of achtergevel in de nok van het huis vast zaten.
Het ene harkje van de antenne wees naar Smilde en het andere harkje naar Duitsland. Er waren maar een paar zenders die je
kon bekijken nl. Nederland en Duitsland.Op meerdere plekken mochten de buurtkindertjes televisie kijken zoals bij Willem Kamps
(Stationsstraat), Harm en Seichien Mulder (Hoofdstraat), Geert Jager aan de Anderenseweg en bij Rudolf en Henderkien Lanjouw
aan de Kloosterstraat 9. Achterin de Naweg keken ze de ene keer bij Lute Timmer en de andere keer bij Lena Kamping. Op
woensdag- en op zaterdagmiddag was er een kinderprogramma op de televisie. Het was als ware een kinderbioscoop aan huis.
De kinderen wachten ongeduldig buiten totdat het vijf uur was. Dan werden de klompjes netjes naast elkaar bij de keukendeur
gezet en naar binnen. Ze zaten in kleermakerszit naast elkaar op de vloer voor dat enorme toestel en keken o.a. naar de
Verrekijker, Swiebertje en Pipo de clown en Mammaloe. Tante Hannie Lips kondigde het programma aan, ze zwaaide even en er
werd terug gezwaaid. Het beeld was in zwart-wit en van een afstandsbediening had men nog niet gehoord en ook niet van
reclame.
In de beginjaren zestig kregen steeds meer gezinnen een televisie. De kleurentelevisie was al in 1967 geïntroduceerd maar de
doorbraak kwam pas in 1974 dankzij de WK voetbal. De tijden zijn wel veranderd. Nu hebben vele huishoudens zelfs meer dan
één televisie. De antennes zie je niet meer op het dak, er wordt gekeken via de kabel of een schotel en we hebben keuze uit heel
veel programma’s.
Rieks Oostin
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Jans Oosting
Mijn vader Rieks Oosting, is geboren op 19 juli 1916 in Eext op een boerderijtje op Kerkstraat 18. Mijn grootmoeder Grietje
Oosting-Pieters, ik zei nooit oma, vertelde wel eens dat het een warme dag was. Toch lag pap dagenlang tussen twee warme
kruiken vanwege z’n broze gezondheid in verband met het lage gewicht. Hij zou later dan ook niet het keuterboerderijtje van opa
Jans Oosting overnemen. Rieks, voluit Henderikus, moest maar ”doorleren”. Het liep anders: oom Remmelt, ruim een jaar eerder
geboren, ging naar de ULO in Assen en kwam bij de Nederlandse Spoorwegen te werken. Naast Remmelt en Rieks kregen opa en
grootmoeder nog vier kinderen: Zwaantje, Jantje, Fennie en Berend.
Pap voelde niets voor doorleren, en heeft allerhande los werk verricht: boerenwerk en bij herfst- en winterdag op de dorsmachine.
Ook deed hij huisslachtingen, zowel in Eext als Anderen en Eexterzandvoort.
Op 11 november 1939 trouwde pap met Jantje Rabs. Het was een onzekere tijd en vast werk was wel erg belangrijk. Ze kwamen
te wonen in een gedeelte van een boerderij, eigendom van de Gebr. Albert en Rudolf Lanjouw, nu bewoond door Martha Mennega.
Pap en mam woonden voorin. Later kwamen oom Klamer Nijhof en tante Jantje het achterste gedeelte bewonen.
In oorlogstijd leerde pap het rietdekkersvak bij Jan Bareld Dekker.  Dekker zag wel in dat pap aanleg had, ondanks het feit dat hij
de eerste dag van het dak viel!
Tijdens de oorlogstijd hebben pap en mam nooit armoe gekend. Pap zat nooit stil, naast het rietdekken verdiende hij wat bij met
huisslachten en stoelmatten. Het laatstgenoemde ”vak” heeft hij zichzelf aangeleerd door een stoel vakkundig te slopen. Hij kocht
in Groningen via vrachtrijder Jan Enting een bundel zoetwaterbiezen. Het resultaat mocht er zijn, al waren de ”rilletjes” niet overal
even dik.
Bij winterdag matte pap in de kamer omdat er in ’t hok geen verwarming was. Vele dorpsgenoten kwamen met een kapotte stoel
en zaten dan in een kring rondom pap, die natuurlijk ijverig doormatte. Omdat ik wel eens gerepareerde stoelen terug moest
brengen, wist ik ook wat het kostte. Als de mensen vroegen mocht ik beleefd antwoorden: ”Drie en halve gulden”. Dit bedrag
betekende dus werkloon plus materiaal. Ik weet nog dat Jan Enting acht gulden moest hebben als hij weer een bundel biezen
bracht.
Het matten kon pap gelukkig binnen doen, soms dus bij de warme kachel. Hoe anders was het bij het slachten: maandag slachten
in Eext, woensdag in Anderen: dinsdag en donderdag ”aofhouwen”. Lange dagen en avonden erbij, en dat alles op de Mustang.
De messen moesten altijd scherp zijn en dat slijpen gebeurde op de slijpsteen, gemaakt van Bentheimer zandsteen, ook ’s avonds
laat. Ik mocht dan ”draaien” omdat ik vaak nog laat op was vanwege mijn studie. Pap en ik voerden dan lange gesprekken over het
slachten en mijn school. Later prutste pap een motortje op de slijpsteen, zodat ik ontslagen werd als draaier.
De volgende dag ploeterde hij weer door weer en wind naar zijn klanten die het water al heet hadden. Het ’zwienhaor’ mocht pap
meenemen. Hij verzamelde dat in de ’iemenschuur’ en aan het einde van het seizoen kwam de opkoper en na veel loven en
bieden werd de prijs bepaald. Een bepaald jaar was de prijs zo gunstig dat er een echt horloge van gekocht kon worden!! Kort en
goed: er kwam geld op de plank, maar vraag niet hoe er voor gebufferd is.
Rond Oud & Nieuw (1938-1939) - 2017
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
W.G. Koiter.
De maanden December en Januari waren ook vroeger al drukke en dure maanden.
Al voor het nieuwe jaar begon men te bakken met de knijpertjes, rolletjes en de nieuwjaarskoeken. Deze werden gebakken met ijzers die in
het vuur moesten. Die ijzers  hadden twee lange armen met aan het eind twee ronde platen waar het deeg tussen moest. Er lag een stukje
spek klaar dat aan een vork was geprikt. Het ijzer openen, invetten met het stukje spek, het deeg ertussen, ijzer dichtknijpen en het vuur in.
Even wachten tot het gaar was en er weer uit halen. Voor de rolletjes had men een ”rollegiesstokkie”. Iemand zat klaar om de wafel op te
rollen, dat moest snel en goed gebeuren. Het baksel moest nog warm zijn en de ruitjes schuin. De knijpertjesijzer was even kleiner dan de
andere. Het vuur of de kachel moest goed worden opgestookt met kolen of turf.
Oudejaarsavond ging men ”uitzitten met familie, buren of vrienden. De jeugd ging als het donker was ”slepen”. Vooral bij de boeren want
daar stond meestal nog wel wat buiten zoals wagens, hekken of gereedschap. Dit werd dan meegenomen en bijna alles werd verzameld. In
Eexterzandvoort deed men dat op het schoolplein.
De meeste mensen stonden op nieuwjaarsdag al vroeg op want velen hadden een gemengd bedrijf. Het vee moest worden gemolken en
verzorgd.
Dan begon het ”nieuwjaarslopen”. De mannen gingen al vroeg op pad om de buren, fam. en kennissen een goed nieuwjaar toe te wensen.
De vrouwen bleven thuis, zij moesten de nieuwjaarslopers ontvangen. Er werd getrakteerd op de gebakken kniepertjes enz. Ook werd er
een borrel geschonken, alleen jenever, anders was er toen nog niet. Voor de kinderen was er een zeupie, dit waren vruchten die in de
zomer waren ingezet zoals bessen, frambozen, aardbeien en pruimen. Dit werd ook wel “weck” genoemd. Iemand die veel bezoekjes moest
afleggen, kwam meestal goed verzadigd thuis.
Daarna begonnen de nieuwjaarsvisites. De buren kwamen een avond op visite en dan werd er direct weer een visite afgesproken steeds
met dezelfde groep. Dit ging door tot ieder een beurt had gehad. Hetzelfde gebeurde met fam. en kennissen  Dit duurde tot soms Maart.
Ik weet nog als de visite kwam, mijn moeder het erg druk had. De stoelen werden rond de tafel gezet. Op de tafel stond de koffie klaar in de
kraantjespot, daarnaast de klontiespot, de tabakspot met pijptabak, en een koker met sigaren en sigaretten.
De vrouwen kregen een stoof onder de voeten waarin een test zat met een gloeiend kooltje vuur of turf om de voeten warm te houden.
Als de visite kwam moesten wij naar bed, achter de bedsteedeuren. Eerst kon je niet slapen door het gepraat.
De koffie werd gedronken en men kreeg er eerst een dikke plak koek of oude wijven bij. Na de koffie kwam de fes of karaf op tafel. De
mannen kregen elk twee heldere borrels en de vrouwen een glaasje weck, net als de kinderen. Sommigen wilden er graag een scheutje
drank op hebben dan was het niet zo koud. Daar werden dan de kniepertjes enz. bij geserveerd. Hapjes zoals kaas en worst was er toen
niet bij.
De vrouwen waren de hele avond aan het breien. Sommigen breiden een voet aan de sok in één avond. De mannen hadden het vaak over
het werk en het weer en er werd natuurlijk flink gerookt.
Als de visite vertrokken was werden de deuren opengezet zodat de rook uit de kamer trok. Dan werden wij vaak wakker en kregen wij ook
nog wat van al dat lekkers.
Rooul en Stinao - 2014
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Jantinus Hofsteenge
Mien naom is Jantinus Hofsteenge, mor ik wordt nooit aans nuumd as Tinus. Toen ik dit opschreef was ik 75 jaor en dit gebeuren is al jaoren
leen. Mien olders Ede Hofsteenge en Wulmie woonden an de Hoofdstraot op nummer 33 en ik woonde nog bij heur in hoes. Rooul en Stinao
Mennegao woonden naost oous. Die hoezen stunden of staot nog zun zes meter van mekaor aof mor zie woonden op Geeiterstraot 1.
Rooul en Stinao waren breur en zuster en bint aaltied vrijgezel bleven. Zie hadden een klein boerenbedrievie, een beetie bouwlaand, een
paor beeisties, wat schaop en een fòrse hond. Die hond had as ras “eland”, hie had een heeile dikke vacht en zien naom was Jaokop.
Jaokop stun vaok met de veurpoten op de vensterbaank het glas oet te kieken. De Schooulkinder reuipen vaok “Jaokop steeit ok weer veur
’t glas”. Der zaat gien kwaod in die hond net zo min as in zien baos en baozin, al kun Rooul wel is wat kòt veur de kop wezen. Mor toch mus
Jaokop nog heeil wat met maoken. Wat wil ’t geval. Zowel Rooul as Stinao hadden aalbei net een nei kunstgebit. Dat was een duur grappie
west en zie waren aalbei slim zunig, zo waren ze ja ok grootbraacht.
As het berregaonstied was weurden er tweei koppies met waoter op taofel zet en daor deden ze elk heur gebit in. Op zekere mòrgen laag
eein koppie um en ’t gebit van Rooul was vot. Hoou kun zuks noou, zukswat wordt toch neeit stolen. Dat weur dus zeuiken, mor hoou ze ok
zòchden, het gebit was vot en bleef vot. Het was dus veur Rooul brij eten, want dat gung nog wel, mor een plakkie spek, worst of schink was
der neeit meer bij.
Ineeins kregen ze aalbei het zòlfde vermoeden, Jaokop zul het gebit toch neeit opvreten hebben. Hooumeer ze daor an daachden, hoou
meer ze zuch in beelden dat de hond zuch al een dag of wat vrumd gedreuig. Rooul weur roppig in de hoed en greep een dikke hoorntouw
en Jaokop kwam an de lien en dat de straot op, op Henderk Vedder an die vlakbij an de Brinkstraot woonde. Bij de aachterdeur reuip Rooul
al “Henderk, ij hebt een geweer want ij bint jaoger, ij moout Jaokop doodscheeiten”.”Jaokop doodscheeiten”? zee Henderk, “waor is dat veur
neudig en dat doou ik ok neeit.” “Hie hef mien kunstgebit opvreten en die is der neeit weer oet kommen” zee Rooul. Waorop Henderk zee,
dat Roelof en Albert wel met Rooul naor de veearts zullen gaon.
En zo gebeurde het, de mercedus kwam veur en Roelof Vedder, Albert Martens, Rooul en de hond in de auto en dat op Geeiten an. Daor
weur het heeile verhaol verteld. De veearts wol de hond neeit opereren vanwege zien dikke vacht mor gaf hum een braokmiddel. Zie waren
nog in de neibouw van Geeiten toen begunde het middel al te warken. Rooul en de hond der oet mor wat der kwam, gien gebit. Wieder, op
het Geeitsenveentie an. De verbindingsweg tussen Eext en Geeiten, die daor wel al doezend jaor legen haar was nog neeit aofsloten. Weer
stoppen en even haar Rooul de gedachten der neeit bij en weg was Jaokop. Toen de dreei heren bij hoes kwamen laag Jaokop al veur de
deur. Het braokmiddel haar heur bèest daon mor het gebit kwaam neeit weer. Hoou zul dit aoflopen, een dikke veeartsreken en gien gebit.
Mor as de nood het hoogst is, is de redding naobij. Breur en zuster zaten bij de taofel te eten (Rooul aachter de riezenbrij) toe Stinao reuip:
“Rooul, dien gebit lig under de kaast net tegen de zul an en het was waor.” Hoou zul e daor terèecht kommen wezen, zul Jaokop hum daor
hèn sleept hebben?
Sinterklaas - 2019
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Martha Mennega-Stenveld
Vroeger (± 1930) kregen we niet veel met Sinterklaas. Als we naar bed gingen zongen we een Sinterklaas-liedje. Er werd wat
boerenkool op een bord gelegd en de volgende dag lag er dan een klein cadeautje. Die dag aten we stamppot boerenkool, er niet
bij nadenkend dat dit wel eens voor het paard van Sinterklaas geweest kon zijn.
Eens kregen we een poesiealbum. Mam werkte bij Bolhuis in Zuidlaren. Daar kreeg zij twee poesiealbums. Zodoende had mam
meteen een paar cadeautjes die ze mijn jongere zus Aaltje en mij met Sinterklaas kon geven. Pap ventte met bokkings (vis). Deze
zaten in kistjes. Buurman Neip heeft van die kistjes twee ledikantjes gemaakt en ze rood geverfd. Deze kregen we met
Sinterklaas. Een pop hadden we al, die had mam op de Zuidlaardermarkt gekocht. Van een oude lap maakten we een dekentje.
Eens moest er een zwien (varken) afgeleverd worden. Het zwien werkte tegen en belandde in mijn ledikantje. Deze ging hierdoor
kapot en ik heb nooit weer één terug gekregen.Pap ventte ook voor bakker Westerdijk. Het snoepgoed dat kapot en niet meer
verkoopbaar was kregen wij met Sinterklaas. Toen ik 10 jaar was, zijn we naar Annen verhuisd. Het Sinterklaasfeest op school
werd gehouden in café Luth of bij café Van Rein.
Meestal kregen we ondergoed, een kaatsenbal of een kleedje welke we zelf borduren moesten en een beetje snoep. Soms
verstopte mam het, dan deed ze het in een oude krant, want pakpapier had ze niet. Op mijn 18e jaar heb ik met Sint een
theelichtje gekregen. Er werd vroeger lang niet zo veel aan Sinterklaas gedaan dan tegenwoordig.
Tommie en Trixie - 2015
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Seichien Vedder-Oosting
Zun dikke virtig jaor leden haar ieder hoesholding haost wel een hond. Zie weurden in de volksmond aaid siep nuumd. Al waren het gien
rashonden, het waren wel lozen. Zie kwamen neeit an een ket en ok neeit an zun mooi touwgie zoas tegenwoordig, zie wuzzen zòlf wel waor
ze langs mussen lopen. Tegenwoordig mot de baos of baozin met, dat was toen neeit zo. Meeistied weur der mor eein keer floten en het
hondtie kwam weer bij hoes. Bij oous volk (Jans Oosting en Jenj) hadden ze ok zun siep, Trixie, een heeil mooi bont hondtie. Een
ròttenhondtie zoas ze zeden, mor hie was ok gek op loopse teefies.
Bij Geert Enting en Femmegie hadden ze ok een hondtie, die heeitte Tommie. Tommie was loops en dat haar Trixie reuken. Hie was net met
zien baos bij de buren van Geert en Femmegie west um een ròt te vangen. De buren waren Roel Zwiers en mien zus Froukje. De ròt zaat in
’t hoounderhok en het was mor even en Trixie haar hum al te pakken. Zie hebt nog even naopraot en toen gungen oous pap en Trixie weer
hen hoes. Mor ’s aovends, toen het duuster was wol Trixie de keuken oet nor boeten. Eeinmaol boeten gung ’t op een lopen op Tommie an.
Hie meldde zuch deur aof en toou te blaffen. Roel en Froukje gungen aol aovend vroo op berre want Roel waarkte in de bouw en mus ’s
mòrgens um zeuven uur al in stad (Groningen) wezen. Trixie stun in de “steeg” en dee niks as blaffen tegen Tommie. Waf, waf, waf, even stil
en dan begunde het weer. Froukje weur wat kribbig en gung in de naachtpon hèn boeten um te kieken wel zien hond of dat was. Verdorie,
het was heur volk zien hond. Zie jeuig Trixie hèn hoes mor dizze keer lusterde Trixie neeit.
Hie leuip een klein èendtie vot en Froukje gung weer hèn berre. Mor het hondtie gaf het neeit op en kwaam weer. Waf, waf, waf gung het en
dat was natuurlijk tegen Tommie. Even stil en dan weer dat geblaf midden in de naacht. Roel en Froukje waren gloeiend en vergreld op die
ròttige siep. Of Tommie zuch ok heuren laoten hef weeit ik neeit, net zo min of Geert en Femmegie der ok wakker van worden bint. De kinder
vast neeit want Femmegie zee aaltied: “Oous kinder slaopt as rozen”.  Aanderdaogs nao de middag gung oous Froukje naor heur olders in
’t bos um te vertellen wat ze die naacht allemaol beleefd hadden. “Wij hebt de heeile naacht wakker legen um die smerige siep en Roel mot
er  ’s morgens um zes uur oet. ‘k Heb geern daj de hond ’s aovends in ’t heuivak doet en neeit weer boeten laot lopen.” Nao ’t theedrinken is
Froukje weer op hoes an gaon want Roel was derzo weer van ’t waark. Toen ze weg was aaiden oous volk Trixie over de kop want ze
vonden toch wel, dat oous Trixie een beste hond was.
Vliegeren - 2017
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door: Gezienus Mennega
Wij als kinderen mochten vroeger graag vliegeren. Dit kwam in beeld als het eerste koren er af was. De vlieger gingen we zelf maken. Dat
deden we thuis op zolder.  We woonden naast de stelmakerij van Jan Wilms waar we een paar latjes gingen ophalen. Je moest eerst een
frame maken door de latjes kruislings op elkaar te leggen en vast te spijkeren. Dan moest er pakpapier om heen geplakt worden. We gingen
dit halen bij Gradus Leever, die een manufacturenwinkel had. Intussen had mam wat behangplaksel klaar gemaakt. Het papier werd op de
grond gelegd, we legden het frame van de vlieger er op en het model werd ruim uitgeknipt. De flap werd weer naar binnen gevouwen en met
een kwastje smeerden we lijm er op en de vlieger was bijna klaar.
Nu nog het touwwerk of ook wel de teugel genoemd. Het vliegertouw haalden we bij de winkel van Lukas Greving of Albert Okken en
wikkelden het om een plankje. Aan het frame van de vlieger werden twee touwtjes bevestigd, één van boven naar beneden en één van links
naar rechts en met een knoop aan elkaar bevestigd. De staart maakte je op het land klaar. Je trok een stoppel van het gemaaide koren uit
de grond, even op de klomp slaan zodat het zand er af ging en knoopte hem dan aan de staart. De staart moest op gewicht komen naar
gelang er wind was. Was de staart te zwaar zakte de vlieger, was de staart te licht maakte hij vreemde capriolen. Had je de vlieger thuis zo
ver klaar kon je haast niet wachten dat de lijm droog was, zo’n zin had je om te vliegeren. Ik kan me herinneren dat ik een keer zo’n haast
had om naar het land te gaan dat de vlieger tussen het wiel van mijn fiets kwam, kapot. Wat was ik flauw. We vliegerden vaak op het land
achter de boerderij van Roelof Braams, waar toen nog geen huizen stonden, bij de stinksloot (fabriek) richting Kupers Rieks. (Anderenseweg
33).
Op het land stond het koren in hokken. Daar gingen we in zitten om te vliegeren. Maar ook bond je soms je vlieger er aan vast zodat je even
je handen vrij had. De kik er van is om de vlieger zo hoog en zo lang mogelijk in de lucht te houden. Hij dreef soms zo’n eind weg zoals
richting Kromveen dat we hem op de fiets volgden. En maar niet hopen dat het touw knapte of dat hij in een boom kwam. Ik weet nog dat
Jan Smeenge een vlieger van plastic had gemaakt. Kon hij bij slecht weer ook vliegeren. En Albert Leever had een vlieger met verlichting,
aan de staart bond hij een zaklamp zodat hij in het duister kon vliegeren.
Voetballers Eext aan de slag voor kleedgebouw - 2018
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Nieuwsblad van het Noorden d.d. 8-1-1973
Een slordige 17.000 gulden moet voetbalvereniging Eext zelf op tafel brengen om
subsidies te krijgen voor een nieuw kleedgebouw met kantine. Geen bedrag dat
je in de gauwigheid bij elkaar gaart. Daarom besloten de Eexters zelf het eerste
begin te maken, dat in dit geval wel niet het halve werk was, maar toch wel een
hele fundering opleverde. ”En dat is al een aardig eind in de richting van het
benodigde bedrag”, zegt de heer G. Warring, secretaris van de v.v. Eext.
Nu heeft de vereniging behalve bestuurders en voetballers ook vakmensen in
haar gelederen. Vakmensen , die dagelijks op een steiger of bij een bouwput te
vinden zijn. Deze voormannen hebben ’t legertje vrijwilligers dat zes vrije
zaterdagen voor de vereniging opofferde dan ook aangevoerd. Het werk mag er
best wezen, vindt de heer Warring. Dat vond ook de aannemer wie de rest van de
bouw werd opgedragen. Hij kon zo met het werk doorgaan. ”De muren zijn nu op
zolderhoogte”, zegt de heer Warring . ”We hopen er aan het begin van het nieuwe
seizoen in te kunnen”. Voetbalvereniging Eext werd op 6 juli 1932 opgericht. De
club heeft een roemrijke historie. Eén van zijn markantste leden is Bruno Kruit.
Ondanks zijn 55 jaar voetbalt deze kruidenier uit Eexterzandvoort nog een
stevige partij mee. Een prestatie waarover in deze rubriek al eens eerder is
geschreven.
Eext heeft dus net haar 40-jarig jubileum achter de rug. Men komt tegenwoordig
uit in de 2e klas van de Drentse Voetbal Bond. Over gebrek aan leden heeft de
club niet te klagen, op het ogenblijk zijn dat er ruim 170. Dan is er nog de grote supportersschare die de club – en soms wel letterlijk – op
handen en voeten draagt. Secretaris Warring ziet de bazaar op 20 en 21 januari en de verloting in ’t voorjaar dan ook met een gerust hart
tegemoet. Want al heeft het vrijwilligers-bouwteam de handen een flink eind uit de mouwen gestoken, bazaar en verloting moeten de
ontbrekende duizendjes in de kas brengen.
Secretaris G. Warring bij het kleedgebouw in aanbouw
aan de Anderenseweg. Clubleden hebben vrije
zaterdagen de grond bouwrijp gemaakt en de fundering
aangebracht
Vuilnis in vroegere jaren
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Jans Speelman
Eigenlijk had men vroeger in een plattelandsdorp geen vuilnis. Alle voedseloverschotten gingen naar varkens en die redden zich er wel mee.
De as van turf, hout en zudden, die uit de kachel of haard kwam, werd in een asgat gedaan. Als er al een kopje of schoteltje gebroken was,
werd dit aan de kinderen gegeven voor hun “diggelhoezie”. Veel ander speelgoed hadden wij in onze kinderjaren niet.
Lompen gingen naar de voddenkoopman, die geregeld langskwam. Zo ging dat ook met oud ijzer. Het was meestal wel dezelfde koopman
die om vodden of oud ijzer vroeg. Papier was er maar weinig. De middenstand leverde een goed product, daar hoefde je geen reclame voor
te maken, zeiden ze dan.
Je kunt wel zeggen dat al het krantenpapier in vierkantjes gescheurd werd. Dat kwam aan een spijker in  “’t hoezie” terecht. Ongeveer in
1950 kwam er al meer plastic als afval. Het was natuurlijk wel een hele uitvinding maar we kregen er wel een geweldige probleem bij;
waar laat je al dat afval. Op een vergadering van Dorpsbelangen kwam er een vraag aan de orde over het afval. In die vergadering werd
besloten om één keer in de week een afvalwagen te laten rijden. De vergoeding zou één gulden per maand per huis zijn. Daarvoor mocht
men twee (oude versleten) wasakers bij de straat zetten. Had men meer dan twee akers bij de straat staan dan mocht de vuilnisman daar
een vergoeding voor vragen. De vrouw van Harm Mulder, Seichien Oosting, die ook in dat bestuur zat, meende te weten dat Jans Speelman
deze vuilnis wel zou willen ophalen. Jans Speelman werd hier altijd “Jans Thies” genoemd.  Albertus Buiter, die toen nog voorzitter van
Dorpsbelangen was, zocht Jans Thies op en vroeg hem of hij dat werk wilde doen. Er waren om te beginnen zestig huizen waar het vuilnis
opgehaald moest worden.
Al dit vuil moest in het zandgat van Doddema gebracht worden. Dit gat ligt achter de boerderij van de familie Van der Laan, die toendertijd in
“’t Bos” woonden zoals men zei. Met al deze condities ging Jans Thies akkoord. Zo gebeurde het dat Jans Thies in het voorjaar van 1956 op
iedere vrijdag het vuilnis ophaalde en wegbracht. Na een jaar of vier moesten ze naar een andere stortplaats uitzien. Jan Haange, die achter
zijn huis aan de Stationsstraat een veengat had (’t Röttenveentie), bood dit aan. Daar werd dan ok direct gebruik van gemaakt. Het paard
ging wel 8 tot 10 meter het water in en dan werd daar de wagen leeg gespit. Na een paar maanden kwam er protest binnen van de familie
Brinks, die er naast woonde. Dat was ook wel terecht want er dreven zalf en medicijnflessen in het water en er lagen blikken waar vergiften
in gezeten hadden. Dat water liep naar een sloot waaruit het vee van de familie Brinks drinken moest. Vanaf dat moment ging men naar het
veentje van de familie Jan Rozenveld aan de Gieterstraat (’t Meulenveentie). Dat duurde ook niet zo lang want boodschappenbriefjes en
dergelijke waaiden weg en kwamen in de gemeente Gieten terecht. Daar maakte men zich nogal zorgen over.
Nu werd het afval in overleg met de gemeente Anloo bij de boerderij van Jans Thies (nu Heiakkers 1) opgeslagen. Als er nu een grote hoop
afval lag, dan zou de gemeente er voor zorgen dat het afgevoerd werd. Het eerste jaar had Jans één wagen met afval. Het duurde niet lang
of hij reed al met twee wagens, de voorste met afval en de tweede met papier, oud ijzer en dergelijke. Het vuilnis kwam op een hoop en al
het papier in een schuur te liggen, totdat er een vrachtwagen vol was. Zo gebeurde het ook met het oud ijzer.
Als je afval naar huis haalt krijg je gegarandeerd ratten. Daar kun je wel veel aan doen, maar nooit genoeg. Zo is het wel gebeurd dat Jans
Thies z’n vrouw Aaltje ’s morgens in de kamer kwam en daar drie ratten op de uitkijk zag zitten op een klein tafeltje. De ratten stoven onder
de bedstee. Door een spleet in de vloer verdwenen de ratten. Deze spleet werd opgevuld met papieren zakjes van Bogena. Deze papieren
zakjes waren gevuld met havermout die vermengd was met vergif. Deze zakjes vergif werden dagelijks bijgevuld en wel 3 à 4 weken lang
voordat de ratten dit eten overgaven. Dat ze daar zoveel ratten hadden kwam ook mede doordat ze varkens, kippen, koeien en kalveren
hadden. Daardoor heb je ook veel stro en hooi in huis.
Ondertussen was het wel weer vrijdag geworden en ging Jans Thies met “d’ol roen” voor de wagens door Eext om het vuil op te halen. De
oude roen was net een venters kidde; hij kon niet verder tellen dan tot twee, want als iemand drie akers bij de weg had staan en als Jans
Thies daar op lette, dan riep hij bij de tweede aker nog een keer: “ho!” Anders liep de olde roen uit zichzelf naar de volgende klant.
Klanten kwamen er steeds meer. Op het laatst hadden ze er bijna 120. Er waren soms vijf vrijdagen in een maand. Jans Speelman en d’ol
roen hebben dit werk zo’n zeven jaar gedaan en altijd op vrijdag, behalve de laatste zes weken van 1963. Toen werd het vuilnis op zaterdag
opgehaald vanwege het feit dat Jans Speelman ander werk in Zuidlaren gekregen had. Vanaf 1 januari 1964 heeft de gemeente er voor
gezorgd dat het afval uit Eext opgehaald werd.
Zusterkring - 2018
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
De zusterkring werd opgericht op 1 november 1943. Zoals met zoveel zaken destijds was ook hier ds. Ligthelm de stuwende
kracht. De oproep om tot oprichting te komen gebeurde door op de gebruikelijke plaatsen in het dorp briefjes aan de bomen te
plakken.  Wie interesse had kon zich bij hem opgeven. Het resultaat was dat 26 dames zich aanmelden. De dominee kreeg de
leiding maar er werd van meet af aan getracht de dames zelf zoveel mogelijk aandeel te geven in het verzorgen van de avonden.
Op 1 november 1944 sloot de zusterkring zich aan bij de Vrijzinnige Hervormde Vrouwenfederatie in Drenthe welke als doelstelling
heeft:
a.
Een band te vormen tussen de (verschillende) Vrijzinnig Hervormde vrouwenverenigingen en zusterkringen in Drenthe
b.
Het bevorderen van een diepere bewustwording van het Evangelie van Jezus Christus en de verwerkelijking daarvan in
vrijzinnig christelijke geest, zowel op geestelijk als op sociaal gebied, in gezin, kerk en maatschappij
c.
Het uitdragen van de vrijzinnig christelijke geloofsovertuiging.
De bijeenkomsten werden de eerste jaren gehouden in een leeg schoollokaal, maar wegens plaatsgebrek moest ook wel eens
uitgeweken worden naar café ’De Rustende Jager’. Dit duurde tot in 1952 het Verenigingsgebouw werd geopend en maakte men
hiervan gebruik.
Op de bijeenkomsten werd na de opening het wijdingswoord gelezen, gevolgd door het zingen van een gezang. Na de pauze
kwam er meestal een spreker aan het woord, niet alleen op kerkelijk gebied maar ook het sociaal terrein, de natuur, de
gezondheid enz. kwamen aan bod. Ook praatkringen, boekbesprekingen, diavoorstellingen en voordrachten kwamen aan de orde.
De avonden werden gesloten met het zingen van een gezang. In de zomermaanden waren er geen bijeenkomsten maar wel een
dagtocht met een bus en een fietstocht.
De zusterkring had een bloeiend bestaan en heeft zich volledig aan de doelstelling beantwoord. Ook zette zij zich in voor goede
doelen zoals een geld- en goedereninzameling inzameling t.b.v. de watersnood-slachtoffers in Zeeland of breien voor
ziekenhuizen in Ethiopië en Ghana. Ook heeft men een pleegkind in een S.O.S. kinderdorp geadopteerd.
Helaas door afname van het ledental is de zusterkring op 9 maart 2009 opgeheven.
Zwienen en oous zwien
Klik op de titel om het verhaal te openen/sluiten.
Door:
Jop Boelens
In de schuur van opa en oma Klinkhamer E 27 in Eext bevonden zich een paar varkenshokken en o.a. een gedeelte wat dienst
deed als stookhok. In mijn jongensjaren (de beginjaren 1950) hielden oom Roelof Smeenge en tante Trudy daar toen een zeug en
soms ook een opgroeiend mestvarken uit een eigen toom biggen. Niks bijzonders aan: Veel dorpelingen mestten een varken voor
de eigen slacht of voor de verkoop van te werpen biggen.
Grootschalige varkensbedrijven bestonden in die tijd niet in Eext.
Vaak was een groot deel van het verzorgen van varkens een taak van de ’boerin’. Twee keer per dag voeren. Het voer bestond
veelal uit een mengsel van aardappels, varkensmeel en ondermelk. De aardappels werden in een grote gietijzeren kookpot
gekookt door een eronder brandend vuur. Daarna werd meel  en ondermelk toegevoegd. Het brouwsel  heette in de volksmond
slobber. De slobber werd met een emmer in de troggen gestort. De mest uit het hok halen met de vork en met de kruiwagen op de
mestvaalt kieperen, was zwaar werk. Een varken wordt vaak geassocieerd met smerig, lui en dom.
Maar een varken poept b.v. op één plek in het hok om het stro in het slaapgedeelte schoon te houden. Een kip, die in het hok is
gefladderd, kan er maar het beste meteen weer uitvliegen, voordat ze heel snel varkensvoer wordt. Er zijn circussen, die juist
varkens allerlei kunstjes leren, omdat ze zo intelligent zijn. Een varken werd ook gehouden om de centjes.
Tante Trudy  (vroeger ook ’mooi Trudy’ genoemd) was wel opgewassen tegen de trucjes van de handelaar/commissionair. Toen de
verkoop van de biggen eens dreigde vast te lopen, zei ze tegen de handelaar ” ’t Is bijna rond, maar je moet er nog een paar
goede nylons bij doen”. De man had geen idee wat nylons kostten en riep meteen: ’Akkoord !’ Het bleek hem later dat die
toendertijd duur waren.
In Eext woonde destijds beerhouder Lute Hilberts in E 22, dichtbij ons. In het huidige restaurant ”De Zeven Ossen”. Wanneer de
zeug roezig (berig) was, vroeg oom Roelof me soms hem even te helpen bij het aandrijven van het dier, met een twijgje, naar het
berenhok. De beer had blijkbaar veel sexappeal, want naarmate we dichterbij kwamen, liep de zeug in draf vooruit. Na de dracht
van drie maanden, drie weken en drie dagen werden de biggen geboren. En ongeveer tien weken later verkocht. Bij de verkoop
van varkens werd o.a. het postuur beoordeeld. De lengte was belangrijk, het gewicht, de kleur (graag een wat rozige huid), het
haar (mooi glad-geen roeg zwien) en de vitaliteit. Al naar gelang het uiterlijk werden varkens ingedeeld in kwaliteitsklassen. De
varkensprijzen schommelden nogal. Vaak was varkenshouden geen vetpot. Slachterij Udema, Gieten was een bekende afnemer.
Waren er in Eext toen ook wilde zwijnen? Bij een klopjacht in het Butersbos werden we er, als opgeschoten jongens, bang voor
gemaakt. ”Goed opletten, als je er één ziet of hoort, dan zo gauw mogelijk in een boom klimmen”. Ik heb echter geen wild zwien
gezien.